Katharen
14 Juli
Half elf, Quatorze Juillet, ook voor vertrekkende Belgen een zegening. Geen vrachtwagens op de autowegen, geen levende ziel op de Périphérique rond Parijs, Frankrijk maakt de brug, het vertrek had slechter gekund. Even was er lichte paniek, volgens de radio stonden er blokkades langs de grensovergangen. De douanepost bij Maubeuge is echter verlaten. De N2 tot Laon is nu niet bepaald een expresweg, maar het gaat, we rijden doorgaans tegen 90 km/uur en onze motorhome zwiept langs de vele rotondes. Tegen 16u bereiken we de buitenwijken van de Franse hoofdstad. De op- en afritten lijken verlaten, dit overtreft onze stoutste verwachtingen. Onze GPS stelt de alternatieve route langs de A86 voor, maar we kiezen bewust voor de ‘korte’ pijn. Amper enkele minuten later rollen we over de viervaksbaan van de Périphérique. We hebben ruimschoots de tijd om te genieten van de passage langs de binnenstad en proberen onophoudelijk bekende gebouwen te traceren, Parijs flitst voorbij. Tientallen vliegtuigen zetten ondertussen hun landing in tot Charles de Gaulle of Le Bourget en scheren nauwelijks enkele tientallen meters boven onze hoofden.
De N20 brengt ons in geen tijd via Etampes tot in Orléans. Initieel was het de bedoeling om op de motorhomeparking van Lamotte-Beuvron de nacht door te brengen. De fitheid van de eerste dag doet ons echter besluiten om er nog een vervolg aan te breien. Vanaf Vierzon is de A20 tolvrij. Ter hoogte van Limoges nemen we de D9 richting ‘Oradour s/Glane’. Het is nauwelijks 21u als we de overvolle camperplaats oprijden. Dit wordt niets, dan maar terug tot de parking aan het dorp zelf. We plaatsen ons naast een landgenoot die ons maar al te graag een dosis bruikbare informatie aan de hand doet. De zon zakt langzaam tot de horizon, rood en dik aangelopen kondigt ze de nacht aan. We vleien ons in bed, de dag zit er op, de eerste dag van de vakantie is een feit, morgen zal het vroeg dag zijn…
15 Juli
Om negen uur staan we voor het ‘Centre de la Mémoire’. Het permanente herdenkingscentrum herbergt een schat aan informatie over het wel en wee van het dorp voor de oorlog, verklaart op verstaanbare wijze de achtergrond van de naziegruwel (vanuit Duits standpunt) en probeert de bezoeker een idee te geven over de emoties en de afschuw die volgden op 10 Juni 1944…de dag dat een eenheid van de Waffen SS het dorp Oradour sur Glane omsingelt. 642 mannen, vrouwen en kinderen vinden de dood door kogels en vuur…Ter nagedachtenis van dit drama is het martelaarsdorp in de oude staat behouden gebleven. Via een kleine tunnel krijgen we toegang tot het dorp, ‘Souviens-toi…Remember’ prijkt rechts voor het eerste huis…of wat er van overschiet…koude rillingen…weerzin…oorlog, schandelijk, onmenselijk. Gezien het vroege uur lopen we vrijwel alleen tussen de ruïnes en houden geregeld halt bij de talloze verwrongen overblijfselen…een oude ‘Singer’ naaimachine, een karkas van een fietsframe, enkele tientallen verroeste autowrakken…elk dakloos huis ademt angst en ellende uit, elke steen, elke voeg diep in zich opgesloten het geheim hoe mensen kunnen veranderen in beesten. Zwijgzaam slenteren we tot de kerk, zwartgeblakerde muren getuigen over het verleden, binnenin een intacte biechtstoel, waarin twee kinderen werden aangetroffen, …hand in hand, …de beentjes kapot geschoten…




Oradour sur Glane houdt haar laatste gevecht, een strijd tegen het vergaan, ‘Souviens-toi’…
Tegen de middag zijn we terug bij de Motorhome. Als we doorrijden zijn we beiden een levenservaring rijker, niemand mag dit vergeten, niemand…
Het is heet, we zetten koers richting Sarlat-la-Caneda. De streek van de Dordogne kleurt jonggroen. De kronkelende wegen zijn vrij slecht onderhouden maar het steeds veranderende panorama maakt dit ruimschoots goed. Steile rotswanden herbergen verschillende prehistorische grotten. Op de D706 is het knap rijden. We houden halt bij ‘La Roque St Christophe’, één van de impressionantste uit de streek. Voor we Sarlat kunnen binnenrijden is het eindeloos aanschuiven. Een theaterfestival vult volledig de binnenstad. Het is er koppenlopen. De camperplaats in het centrum onbereikbaar. We rijden nog enkele kilometer verder tot Vitrac en plaatsen ons voor enkele Euro’s op de Municipal, een echte aanrader zoals later blijkt. Een verfrissende duik in het zwembad, een overheerlijke douche en onze eerste zwoele zomeravond luiden nu echt de vakantie in, dit smaakt naar meer…
16 Juli
Om 7u zijn we wakker en nauwelijks een uurtje later rijden we de camping uit. Rocamadour onze eerste bestemming van de dag. De stad is na Lourdes de meest bezochte bedevaartsplaats van Frankrijk. Bovenop het uitgestrekte leisteenplateau ligt de burcht. Via een slingerend pad kom je langs tal van kapelletjes en een kerk. Een trap brengt je tenslotte onderaan het stadje waar het gewoontegetrouw krioelt van de toeristische winkeltjes. Met de motorhome kan je best bovenaan de burcht blijven staan. Een prachtig zicht heb je nochtans indien je doorrijdt tot de vallei. Gezien het vroege uur hebben we nog geen probleem om de smalle weg tot de parking te volgen. In de namiddag kan het er bijzonder druk zijn.


Een boogscheut verder ligt ‘Le Gouffre de
Padirac’. Het bekendste grottenstelsel van Europa wordt beschouwd als het
bijzonderste geologische fenomeen van Frankrijk. Onze reis naar het
middelpunt van de Aarde dienen we nog even uit te stellen, een lange rij
wachtenden staat voor ons aan de ingang. Ons geduld wordt echter ruimschoots
vergoed. Na een loodrechte afdaling via een trap of lift kom je 103 meter
lager uit op een riviertje dat zich kronkelend een weg baant doorheen
tientallen grotten en steenengtes. Het wandelpad is glibberig en vereist
degelijk schoeisel. De temperatuur is constant 13°C. We belanden in een
soort ondergrondse haven waar we vriendelijk verzocht worden plaats te nemen
in een kleine metalen sloep. Het ijskoude water voert ons dieper in de
aardkorst. De gondelier manoeuvreert behendig langs de scherpe rotskanten.
Een kwartiertje later stijgen we uit en worden opgewacht door een gids die
ons op deskundige wijze langs de vele galerijen voert. Een enorme stalactiet
van 60 meter hoogte verspert ons bijna de weg. Het ondergronds meer van
‘Gours’ en het gewelf van de ‘Grande Dôme’ met een hoogte van 94 meter zijn
slechts enkele hoogtepunten. De grotten zijn meesterlijk belicht en
beklemtonen in ieder geval het gracieuze. Het bezoek was elke cent waard.



Fysisch gezien dien je wel rekening te houden met een tweehonderdtal trappen (zelfs al gebruik je de lift) en zijn een fleece en wandelschoenen zeker geen overbodige luxe. De spreekwoordelijke ‘klop van de hamer’ valt ook ons te beurt…na de laatste trede overbrug je in een mum van tijd 25°C; van 13 naar 38°C…in de schaduw…de temperatuur in de motorhome leek wel het dubbele…Het is warm, heet, bloedheet en veel te vochtig. Gezien de omstandigheden schrappen we het bezoek aan St-Cirq-Lapopie en rijden via Cahors naar St Beauzeil waar vrienden een gezellig stulpje hebben. Amper aangekomen liggen we tien minuten later al languit in het zwembad en wisselen de nodige nieuwtjes uit.
De nacht valt vroeger dan normaal, donkere wolken pakken onheilspellend samen. Het geroffel in de verte groeit uit tot felle donderslagen, bliksem verlicht secondelang de hemel. Regendruppels springen kapot op het witte tuinterras, het kon niet uitblijven…
17 Juli
De hemel is betrokken, de tropische temperaturen verdwenen, 15°C is alles wat overblijft, de sweatshirt onderin de kast wordt naarstig bovengetoverd en misstaat niet. Ideaal rijweer, de voetverwarming doet alleszins goed dienst. Tot Montauban nemen we kleinere D-wegen, tot Toulouse de expresweg D-820. Een vijftigtal kilometer verder draaien we oostelijk, het ‘Montagne du Plantaurel’ in. Het regent onophoudelijk. Eerste stopplaats is de grot van ‘Mas d’Azil’. De D-119 kronkelt er door een tunnel. Eigenlijk puur natuur maar vrij spectaculair. ‘Floodlight’ in het midden van de balustrade maakt het zelfs een beetje griezelig. Middenin kan je een bezoek brengen aan de grot. Na het middageten zetten we onze weg verder. Het miezert nog, grijze nevelslierten hangen langs de heuveltoppen en beperken het zicht. Via ‘Foix’ komen we in ‘Lavelanet’. We plaatsen ons op de stadscamping. Het weer heeft meegebracht dat we een dag ‘voor’ liggen op schema.


Zachtjes tikt de regen op het dak van onze trotter, dit wordt ‘dagboek’ bijhouden en tv kijken…
18 Juli
De dag kondigt zich niet zo goed aan, druilregen en mist, we besluiten nog even af te wachten en hebben tijd om de geschiedkundige literatuur over de streek nog even na te pluizen.
Stilaan komen we in het departement van de ‘Aude’, ook het ‘Pays Cathare’ genoemd. Spijt voor wie het benijdt, maar de enige, echte Katharenburcht ‘Montségur’ ligt net niet in de ‘Aude’ maar in de ‘Ariège’ en wordt in de meeste gevallen dan ook ‘bewust vergeten’ in de toeristische brochures van de streek.


Van de camping tot de ‘Pog’ waarop Montségur zich bevindt is het nauwelijks een kwartiertje rijden. Op de ruime parking staan slechts een handvol wagens geparkeerd als we onze trotter tussen de strepen manoeuvreren. Fleece en regenjack, zware jeansbroek en winterwandelschoenen, we hebben al andere zomeruitstapjes gemaakt. Maar niets houdt ons tegen, Montségur staat bovenaan het verlanglijstje en dit willen we voor geen geld missen. Volgens de gelezen informatie zou het wandelpad er niet zo best bijliggen en je weet maar nooit, Ria neemt de wandelstokken mee. Na een klein opstapje staan we op een grote weide, ver boven ons prijkt de burcht in al haar glorie. Nauwelijks hoger hangen nog steeds dikke, grijze wolkenpakken. Vanaf het kleine monument gaat het met een haarspeldbocht het bos in. Eigenlijk veel te warm aangekleed zetten de steile beginmeters direct de nodige zweetdruppels op ons voorhoofd. Zichtbaar kronkelende wortelstokken steken her en der door de afgesleten plaveien en bemoeilijken de klim. Na een tiental minuutjes komen we aan het loket. Van regen is geen sprake meer, het wolkendek lijkt opengescheurd en grote straalblauwe luchtpartijen zijn duidelijk zichtbaar. Tijd om de regenjack veilig op te bergen in de rugzak. De fleece wordt toch nog even aangehouden want de wind is meestal onaangenaam op solitaire heuvelruggen. Het bospad voert ons verder richting ruïne, soms met nadrukkelijk uitgekapte tredes, dan weer over gladgepolijste rotspartijen afgeboord met houten balkjes. Ongelooflijk dat het ooit een paardepad is geweest. Twintig minuten later staan we aan de ingang van de ongetwijfeld, bekendste Katharenburcht. Hier begint één van de zovele zwarte bladzijden uit de Katholieke historie. Hier is de inquisitie boven de doopvond gehouden, hier is geschiedenis geschreven. We lopen bijna moederziel alleen over de heuveltop. Het zicht is ongelooflijk. Langs de noordelijke zijde weergalmen volle, diepe metaalachtige klanken over het dal. De Vlaamse Hang-Drum muzikant kon geen betere plaats hebben uitgezocht. Alsof hij op het dak van de wereld, met fluwelen handschoenen, de gehamerde wokpan tot leven kon doen brengen. We zijn echt onder de indruk en je hoeft echt niet veel fantasie te hebben om terug te keren in de tijd dat deze burcht op haar hoogtepunt was, en onderdak bood aan 800 tot 1000 mensen, een hoogtepunt van eenvoud en bezinning, weg van pracht en praal, weg van geld en macht…


Na een klein uurtje beginnen we aan de afdaling, de zon schijnt volop. Op de parking is het ondertussen behoorlijk druk. Planning is om de Katharenroute voor een deel te volgen en nog een aantal ankerplaatsen te bezoeken. Tijdens de voorbereiding hadden we nog enige twijfels maar die zijn allang weggespoeld, samen met de laatste regendruppels…
Van Montségur gaat het noordwaarts via kleine D-wegen, Léran, Belloc tot Camon. Een prachtig, nog bijna authentiek middeleeuws dorpje. We plaatsen onze trotter op een middelgrote parking in de schaduw van een dozijn platanen en wandelen rond de eeuwenoude vestingmuren. Er is een schitterende Chambre d’hotes, gekoppeld aan een betaalbaar restaurant. Het ziet er allemaal indrukwekkend uit en zeker het bezoeken waard. (http://www.chateaudecamon.com)
Van Châlabre gaat het tot Puivert en Quillan. We plaatsen ons op de camping en genieten wat van zon en water. De laatste sporen van het ellendige regenweer worden uitgewist.
19 Juli
Tijd om een ander mysterie op te zoeken. Vanaf Couiza voert een kleine bochtige weg ons regelrecht in het hol van de leeuw, of tenminste, dat is wat men ons wil laten geloven. Het dorp heeft er alleszins een eigenaardig record op na gehouden, er zijn meer boeken over verschenen dan er mensen wonen; Rennes-le-Château, gelegen op een heuveltop in het midden van de Languedoc. Op het eerste zicht, een dorp zoals er dertien in een dozijn zijn, ware het niet dat er een sensationeel mysterie rond hangt. Verhalen van moord, intrige en het mogelijk verband van een geheime bloedlijn met Christus hebben Dan Brown deels geïnspireerd om zijn ‘Da Vinci Code’ te schrijven. Jaarlijks komen hier meer dan honderdduizend bezoekers hun gelijk bewijzen. Sommige met de hoop om de puzzel zelf op te lossen, anderen, zoals wij, om gewoon de sfeer op te snuiven. Het opschrift boven de toegangspoort van de Magdalenakerk laten het ergste vermoeden; ‘Terribilis Est Locus Iste’. ‘Deze plek is verschrikkelijk’. Nogal een krasse uitspraak boven het Godshuis. Wat verdwaasd nemen we enkele schuchtere stappen voorwaarts, en vallen van de ene verbazing in de andere. In het portaal worden we verwelkomd door een beeldhouwwerk in de vorm van een geknielde duivel (Asmodeus) met een wijwatervat tussen de hoorns… De kleine, sfeervolle, door priester Saunière zelf ingerichte kerk, bulkt van de raadsels en ook op z’n minst gezegd abnormale schilderijen en beeldhouwwerken. Historici, ‘believers’ en criticasters hebben er al duizenden bladzijden over geschreven en het moet gezegd, nog nooit zag ik zo’n kerk. Met de nodige documentatie kan je hier makkelijk enkele uren doorbrengen om elke verwijzing en elke beeltenis na te kijken. De Magdalenatoren en de villa Bethania zijn tevens het bezoeken waard. Er zijn prachtige lichtkoepels en glasramen in aangebracht. In andere tijden kon de priester zeker z’n mannetje gestaan hebben als binnenhuisarchitect.



In het verlengde hiervan kan je ook langs Rennes-les-Bains rijden. Het kerkhof, met de grafsteen van Boudet, en het oude badhuis zijn zeker de moeite.



We volgen de D14 voorbij Bugarach en komen de eerste pijlen tegen richting ‘Gorges de Galamus’. Gezien de beperkte doorgang (max 2m breed en 2.70m hoog) parkeren we onze trotter enkele kilometer voorbij Cubières-sur-Cinoble, direct aan de geïmproviseerde camping. Tijd om de benen te strekken. De wandeling van om en bij de 2uur langs de uitgesleten rotsen is zeker de moeite. Er is beurtelings verkeer mogelijk tijdens de daguren. Je dient in elk geval rekening te houden met laag overhangende rotspartijen. Licht gestoomd zetten we ons na de tocht op het, met schaduw overgoten, campingterras. We koelen onze voeten in het kabbelende bergstroompje en nippen met grote teugen aan een frisse Jupiler. Einddoel van de dag is Duilhac s/s Peyrepertuse, een half uurtje verder. De motorhomeparking ligt aan de rand van het dorp, met een schitterend zicht op de burcht. We informeren bij wat landgenoten en kruipen vrij vroeg onder de spreekwoordelijke wol.




20 Juli

We hebben onszelf getrakteerd op een redelijk gevuld programma. Om 08.30 starten we de motorhome richting Château de Peyrepertuse, een pittige klim van een viertal kilometer brengt ons tot het loket. Op één wagen na is de parking leeg. De poetsdame zwiept nog een laatste keer een dweil door de onthaalruimte voor honderden voeten weer langs de balie zullen passeren. Omringd door een haag of uitgekapt in de rotsen overbruggen we in een tiental minuten de afstand tot de ingang van de ruïne. We kunnen een zucht van verbijstering nauwelijks onderdrukken!




Het moet toch wel een bijzonder leven geweest zijn, zo’n 800 jaar geleden. In of rond de burcht, op het dak van de wereld, in de verste verte geen levende ziel te bespeuren. Beschermd door metersdikke muren was uithongering je meest voorkomende vijand. Zomer en winter leefde je in extreme weercondities; broeiendheet onder het loodzware zonlicht, of ijzig koud wanneer de sneeuwgrens langzaam over je heen kwam en een polaire luchtstroom je longen dichtkneep. Gehuld in lompen of dierenvacht werd de jacht georganiseerd of de omliggende velden diep in het dal bewerkt. De kans op een potje ‘vechten’ was reëel, de kans dat je’t niet meer kon navertellen nog reëler.
Met het plan in de hand stappen we de gehele burcht af. Sommige stukken zijn nog uitzonderlijk goed bewaard. Vooral de uitzichten zijn adembenemend. In de verte prijkt Quéribus, onze volgende bestemming. In een hoek ligt enkele vierkante meter stro, het had nauwelijks realistischer gekund. Op het gangpad stappen 4 valkeniers, hun lederen handschoen genadeloos samengeknepen door centimeterslange klauwen. De koningen van de lucht worden met het nodige respect door de ruïne gevoerd. Ze zijn klaar om hun kunnen te demonstreren voor de tientallen bezoekers die ondertussen het binnenplein hebben gevuld. Scherpkressend kiezen ze voor de ijle lucht en verdwijnen achter de dikke muren, wachtend op hun meester, om plots weer op te duiken en rakelings over onze hoofden te scheren.



Enkele boogscheuten van Duilhac ligt Cucugnan aan de voet van een ander imposant bouwwerk; Quéribus. De klim naar de parking is best pittig voor de motorhome. Tegen elf uur staan we voor de poorten van één van de best bewaarde en tevens laatst overgebleven Katharenbastion. We volgen het bergpad, wat, gezien het late uur, meer op een Calvarieberg begint te lijken. Een foto trekken zonder dat iemand door het beeld loopt is al een hele klus en vergt de nodige organisatie. Het uitzicht vanop de slottoren is werkelijk enorm. Bij goed weer kan je makkelijk de Middellandse zee waarnemen terwijl je aan de andere zijde een prachtig beeld krijgt van de ‘Hautes Corbières’.
Je kan je nauwelijks voorstellen hoe moeilijk het in die tijd moet geweest zijn om vestingen zoals Peyrepertuse en Quéribus te bouwen. Op amper te bewandelen berg- of bospaden moeten toch alle materialen zijn aangevoerd! En dan hebben we het nog niet over het kappen van de stenen of de opbouw op locaties waar je amper kan staan. Men keek uiteraard niet op een jaar en waarschijnlijk had een mensenleven toen ook andere waarden dan tegenwoordig, maar evident zal het zeker niet geweest zijn!
Op weg richting Narbonne passeren we het Kasteel van Aguilar. De typische zeshoekige walmuur met de zes torens ligt als versterking op de oude grens tussen Frankrijk en Aragon.









Een zestigtal kilometer van Quéribus en zo’n tien kilometer voor Narbonne ligt de Abdij van Fontfroide, een gebouw uit dezelfde tijdsgeest. Als één van de grootste Cisterciënzerabdijen van Europa is het zeer goed bewaard gebleven. De 1 uur durende rondleiding is zeker de moeite. De Romaanse stijl staat in schril contrast met de functionele Kathaarse gebouwen. De pracht en praal van het Katholieke monument ademt, zelfs nu nog, belangrijkheid en ontzag uit. De galerijen rond het binnenhof zijn afgezoomd met ontelbare pilaren. Keurig geknipte plantsoenen naast prieeltjes badend in de schaduw. De hoofdkerk van de abdij is werkelijk schitterend. Op het altaar na is de hoofdbeuk leeg. De hoge, massieve steunberen verheffen de dakgewelven tot ver boven de omliggende gebouwen. Smaragdblauwe glaspartijen dompelen het interieur in een haast irreële lichtverschuiving.
Met veel passie en overtuiging legt de jonge gids de vele aspecten van het geloof en het werk van de lekenbroeders uit. De rozentuin op het oude kerkhof een prachtige afsluiter.
We hebben een blitsbezoek aan de Aude en de Ariège gebracht en het was zeker de moeite. Dit jaar hebben we de zuidhelft van de as Toulouse-Carcassonne bezocht, één van de jaren staat zeker de noordas op het programma…

|
Ontstaan van het Katharisme (bronvermelding : http://www.katharen.be) Orléans, 1022. Twee geestelijken en elf van hun volgelingen worden op de brandstapel gezet. De beschuldiging: ketterij. Ze verwerpen de sacramenten, de dogma's van de Heilige Drievuldigheid en van de menswording van Christus en geloven niet in de verlossing. De brandstapel in Orléans is nog maar het begin... Op een aantal plaatsen verschijnen predikers en daar zijn vreemde vogels bij, mannen gekleed in lompen, met een woest uiterlijk, die de bevolking opjutten en in opstand doen komen tegen de praalzuchtige en inhalige geestelijkheid. Zij willen terug naar de échte waarden van het christendom en verwerpen de katholieke sacramenten en dogma's. De meeste dogma's werden gestemd op concilies en hebben weinig te maken met de boodschap van Christus maar alles met invloed en macht. De geloofsbelijdenis van Nicea, verplichte kost voor iedere katholiek, berooft de christenen van elke persoonlijke inbreng binnen het geloof en maakt vooral de kerk oppermachtig. Naast de individuele predikers ontstaan ook meer gestructureerde gemeenschappen met een eigen hiërarchie en een eigen, soms gnostisch geïnspireerde leer. De bisschoppen weten eerst niet goed wat te beginnen tegen deze nieuwe bewegingen. Ze schrijven angstige brieven naar de paus en naar mekaar; naar de landheren en naar de koning. Aanvankelijk zijn het vooral de machthebbers en de bevolking die ingrijpen, soms zelfs tegen de wil van de bisschoppen. De brandstapel van Orléans is het werk van de Franse koning. Enkele pausen, waaronder Gregorius VII, trachten het tij te keren door ingrijpende structurele hervormingen door te voeren. Die remmen het succes van de ketterse bewegingen even af maar slagen er niet in ze uit te schakelen, daarvoor is de onmiddellijke impact van de hervormingen op het terrein te beperkt. Het gevolg is dat de kerk harder gaat optreden mét de steun van de wereldlijke heersers. Steeds lijkt het te gaan om onafhankelijke geïsoleerde gemeenschappen zonder dat er sprake is van een overkoepelende organisatie. Niet alleen de roomse kerk krijgt met ketterij te maken, de Byzantijnse kerk heeft gelijkaardige problemen. Omstreeks het jaar 950 lezen we in de geschriften van de Bulgaarse aartsbisschop Cosmas dat dringend moet opgetreden worden tegen een zekere "Bogomil" en zijn volgelingen, die een ketterse "manicheïstische" leer aanhangen. Die beweging situeert zich in het huidige Macedonië (toen een deel van Bulgarije). De "bogo-mielen" zouden beweren dat niet God maar de duivel de wereld heeft geschapen, verwerpen de eucharistie (ze geloven niet in de aanwezigheid van Christus in de hostie), de mis en het kruis. De sacramenten, zoals doopsel en huwelijk, zijn voor hen waardeloos. Kinderen laten dopen die daar zelf niet om gevraagd hebben en die er bovendien de zin nog niet van kunnen begrijpen vinden zij onaanvaardbaar. Er is sprake van slechts één sacrament, dat van de handoplegging, waarbij de "gelovige" overgaat naar de rang van "uitverkorene". De gelijkenis met de latere katharen is onmiskenbaar. "Bogomil" betekent trouwens "vriend van God", een benaming die ook de katharen zichzelf gaven (l'Eglise des amis de Dieu). Vanaf de 10de eeuw worden dus zowel de Roomse als de Oosters-orthodoxe kerken met de opkomst van een nieuwe "ketterse" dualistische leer geconfronteerd. Religie Voor de katharen zijn alle zielen evenwaardig, het verschil zit hem alleen in het stoffelijke lichaam, een verschil dat totaal onbelangrijk is. Mannen en vrouwen zijn volkomen gelijk, zij kunnen beiden de status van "parfait" bereiken, prediken en voorgaan bij religieuze bijeenkomsten. In de hedendaagse rooms-katholieke kerk is zoiets nu nog volstrekt ondenkbaar, laat staan in de middeleeuwen. Toch waren er nooit vrouwelijke diakens of bisschoppen maar dat heeft vermoedelijk te maken met de fysieke vereisten van die functies. Voortdurend rondreizen was voor vrouwen in de middeleeuwen niet evident. Hoe word je parfait? Daarvoor moet je (na een noviciaat) het "consolament" ontvangen, het enige sacrament dat de katharen kennen. Na het consolament ben je "christen" en moet je leven volgens strenge voorschriften, je moet eigenlijk een "regel" volgen zoals die ook bij de katholieke kloosterordes bestaat, je moet huis en familie verlaten, geen seksuele betrekkingen hebben, geen voedsel eten dat uit seksuele betrekkingen voortkomt, geen vlees, geen zuivelproducten (vreemd genoeg aten de katharen wel vis; men dacht toen dat die spontaan in het water groeide...), je mag geen persoonlijke bezittingen hebben, je moet leven van handenarbeid (bedelen is verboden), je mag geen mensen of dieren schade berokkenen of doden en je mag geen eden zweren. Verder wordt er van je verwacht dat je de kathaarse boodschap uitdraagt en die wijkt op een aantal punten nogal af van de rooms-katholieke. Zoals de gnostici zijn de katharen dualisten, ze gaan er van uit dat er "twee principes" bestaan, je zou het ook twee scheppingen kunnen noemen, met een verschillende oorsprong: de goede geestelijke schepping en de slechte stoffelijke schepping. God is oneindig goed en wie oneindig goed is kan geen slechte dingen doen. Daaruit volgt dat God niet verantwoordelijk kan zijn voor het kwade in deze wereld. De ziel behoort tot de "goede" schepping maar bij de val van de engelen zijn een aantal van hen in handen gevallen van het slechte principe (Satan, de duivel, de demiurg, Rex Mundi,...) en opgesloten in een stoffelijk lichaam dat deel is van de "slechte" schepping. De ziel is dus van oorsprong goed, want goddelijk, maar is dat in de loop der tijden "vergeten". Om ze daaraan te "herinneren" heeft God uit mededogen Jezus Christus naar de aarde gestuurd. Die kwam als boodschapper, niet als "verlosser". Christus was niet de zoon van God (de katharen aanvaarden geen Heilige Drievuldigheid) en ook geen mens maar een geestelijk wezen, noem het een engel (alles wat van God komt kan alleen maar geestelijk zijn), die slechts de gedaante van een mens had aangenomen. Voor de katharen was het volstrekt ondenkbaar dat God, die oneindig goed was, zijn eigen zoon naar de aarde zou sturen om door zijn lijden en dood de mensen te verlossen van een niet bestaande "erfzonde". Het kruis is dus geen symbool van de verlossing maar een verwerpelijk martelwerktuig waarmee gepoogd werd de missie van Christus te doen mislukken. Ook de eucharistie wordt door de katharen verworpen. Zij kennen wel de zegening van het brood bij het begin van de maaltijd (als herinnering aan de missie van Christus), maar ze verwerpen zonder meer het idee van de transsubstantiatie waarbij Christus zou aanwezig zijn in de hostie. Het is voor hen ondenkbaar dat God zich in zoiets laags en stoffelijks als een stuk brood zou manifesteren. De ziel moet zich bewust worden van haar toestand, zodat zij aan de slechte wereld kan ontsnappen. Dat kan alleen door het enige sacrament dat de kathaarse kerk kent: het "consolament", waardoor een kathaarse gelovige een "parfait" wordt. Wanneer iemand overlijdt die geen parfait is, kan de ziel dus ook niet naar God terugkeren en komt ze in een nieuw lichaam terecht. Dat kan dat van een mens zijn maar ook van een dier (voor wie niet goed en oprecht geleefd heeft). De katharen geloofden dus in reïncarnatie, al moeten we daar onmiddellijk aan toevoegen dat over dit aspect van de kathaarse religie niet zoveel bronnen te vinden zijn en er onder historici nog heel wat over gediscussieerd wordt. Deze leer waarbij de principes van goed en kwaad altijd naast mekaar bestaan hebben, wordt ook het "absolute dualisme" genoemd, het was de leer van de katharen uit de Languedoc. Daarnaast is er ook een "gematigd dualisme" waarbij het "slechte principe", de duivel, eigenlijk een engel was die zich uit eigen ambitie en uit eigen vrije wil met God wilde meten, daardoor ten val kwam en naar de aarde werd verbannen. Bij het absolute dualisme is er van die vrije wil geen sprake. Dat zgn. gematigd dualisme vinden we terug bij de bogomielen en bij de meeste kathaarse gemeenschappen in Italië. Het duikt ook op in de Languedoc tijdens de laatste jaren van de vervolging wanneer er bijna geen parfaits meer zijn en stilaan afwijkende opvattingen in de leer beginnen binnen te sijpelen. Toch moeten we voorzichtig zijn met onze interpretaties van het kathaarse dualisme. Het grootste deel van de informatie waarover we beschikken komt uit ondervragingen van de Inquisitie. De inquisiteurs wilden vooral bekentenissen lospeuteren en werkten daarom meestal met standaardvragen, ze werkten gewoon hun lijstje af. Die vragen waren vooral toegespitst op de verschillen tussen beide religies. Een aantal aspecten van de kathaarse leer, die voor de Inquisitie niet "ketters" genoeg waren, kwamen zo veel minder aan bod.
|

![]()
Bronvermelding : www.katharen.be
Montségur... het is een magische naam geworden tot ver buiten de Franse grenzen. Wie zich aan de katharen interesseert heeft een bezoek aan deze citadel zeker op zijn programma staan. Maar ook voor de toerist zonder historische interesse is Montségur eigenlijk een must. De plek is van zo'n verbijsterende woeste schoonheid dat je er hoe dan ook stil van wordt.
Waarom is deze, eerder kleine burcht zo belangrijk geweest voor de katharen?
Omdat het de laatste vesting was waar de ketters zich konden ophouden? Nee, dat was Quéribus in de Corbières die pas viel in 1255, 11 jaar na Montségur. Toch is Montségur de belangrijkste van wat men de "kathaarse burchten" is gaan noemen.
Gedurende lange jaren was hier het geestelijk centrum van de religie gevestigd. In het begin van de 13e eeuw werd Montségur door Raymond de Péreille heropgebouwd op uitdrukkelijke vraag van de kathaarse geestelijkheid. Daar ligt precies het verschil met de andere burchten. Montségur was niet de belangrijkste van de "kathaarse burchten", het was de enige. Bij de anderen ging het veelal om heren met uitgesproken kathaarse sympathieën die onderdak en bescherming boden aan de ketters.
Alleen Montségur was een échte kathaarse burcht. Daarvoor was de ligging uitstekend gekozen. De burcht is vanop kilometers afstand zichtbaar, een baken voor pelgrims en een hart onder de riem voor de verdrukte gelovigen tijdens de moeilijke jaren.
Bovendien gold de plaats als onneembaar. Nu zijn er wel meer steden en vestingen die als onneembaar golden binnen de kortste keren gevallen. Maar het feit dat Montségur is kunnen blijven functioneren tot 1244, terwijl het dan al dertig jaar midden in vijandelijk gebied lag is toch wel veelzeggend...
Bezoek aan de burcht
Er is ruime parkeergelegenheid. Als je nog niet over een toegangsbiljet van het museum beschikt, zoek dan niet naar een loket. Halverwege de klim kom je dat tegen.
Je hebt voor het vertrek een mooi uitzicht op de rots en je kan je een goed idee vormen van wat je te wachten staat: een steile klim over een slecht pad. Wees dus voorzichtig en wijk niet af van het pad. Hoewel de burcht op 1.215 m hoogte ligt, moet je vanaf de weg, waar je de wagen hebt achtergelaten, slechts zo'n 150 m overbruggen, als dat een troost kan zijn.
Aanvankelijk loopt het pad, tamelijk vlak, tussen weiden. Hier situeert zich het "Camp das Cramatch" (het "veld der verbranden"). Men vermoed dat hier op die verschrikkelijke 16 maart 1244 de brandstapel werd opgericht waar meer dan 200 parfaits de dood vonden (al is de plaats helemaal niet zeker). Ter herdenking werd door de "Société du Souvenir et des Etudes Cathares" een monument opgericht, iets hoger op het pad.Het is een eenvoudige steen met de vermelding: "Als Catars, als martirs del pur amor crestian - 16 mars 1244" ("Aan de katharen, aan de martelaars van de zuivere christelijke liefde - 16 maart 1244").
Vanaf dit monument begint de eigenlijke klim naar boven. Het pad volgt in grote lijnen de oorspronkelijke middeleeuwse toegangsweg. Deze (zuid-westelijke) zijde is immers, geloof het of niet, de minst steile van de bergkam. Hou dit goed voor ogen want als je deze weg al moeilijk vind, begin dan alstublieft niet te experimenteren met de andere, hoe gemakkelijk die ook mogen lijken. Die zijn enkel geschikt voor ervaren bergwandelaars, en sommige zelfs voor regelrechte bergbeklimmers en alpinisten.
Aanvankelijk loop je nog over een aardeweg maar later krijg je de ruwe rots onder de voeten. Hoewel het een natuurlijk pad lijkt, is dat toch niet helemaal zo. Als je goed kijkt zie je dat eraan gewerkt werd. Op sommige plaatsen werden treden uitgehakt in de rots, op andere werden ondersteuningsmuurtjes gebouwd. Veel heeft te maken met het feit dat men met paarden de vesting moest kunnen bereiken want, hoe ongelooflijk het ook klinkt, er waren paarden op Montségur!
Onderweg (bijna boven) is er een gedenkplaat aangebracht voor de schrijver Maurice Magre, die enkele boeken aan Montségur wijdde. Vlakbij en helemaal door het struikgewas overwoekerd, liggen de restanten van een vierkant bouwwerkje, een uitkijkpost of een vooruitgeschoven verdedigingspost.
Wanneer je eindelijk, uithijgend, boven komt moet je nog een paar stevige houten trappen op alvorens je de burcht kan betreden. Dat is de "schuld" van de archeologen die hier de laatste jaren flink te keer zijn gegaan. Twintig jaar geleden lag de drempel maar 1 meter boven de begane grond.
Door de toegangspoort kom je op de binnenplaats. Die meet, grof geschat, zo'n 50 m op 10 m. De afmetingen zijn erg ongelijk en de bodem is oneffen, die werd bij de bouw niet "geëgaliseerd". Binnen deze ruimte stonden gebouwen van meerdere verdiepingen tegen de muren aangebouwd. Hun grondvesten zijn nog te zien en in de muren zijn de gaten zichtbaar waar de balken in pasten die vloeren en dak droegen. Tussen deze gebouwen lag de eigenlijke binnenkoer die ten hoogste een honderdtal vierkante meter groot kan geweest zijn.
Drie (gevaarlijke) trappen geven toegang tot de rondgang. Was die voorzien van kantelen? Er schiet alleszins niets van over, maar een aantal stenen van de burcht zal wel, zoals dat gewoonlijk ging, gebruikt zijn bij de bouw van het dorp.
Via de
meest oostelijke van deze trappen kom je boven op de oostelijke muur. En
meteen valt je de dikte op:
ca. 4 meter. Evenwijdige groeven waar balken in pasten, wijzen uit dat deze
muur een houten, overlopend platform droeg (ook aan de buitenzijde van de
burcht kan je verankeringgaten in de muur zien).
Recht daar tegenover ligt de donjon. Die is vanaf de binnenplaats niet toegankelijk, waarschijnlijk kon men via de rondgang langs een houten constructie de bovenzaal bereiken door de deur die nog steeds zichtbaar is.
De bovenzaal heeft vier vensters (waarschijnlijk nog een vijfde in de verwoeste westkant) en een haard. Via een (verdwenen) wenteltrap bereikte men de benedenverdieping die in twee verdeeld was zoals je nog steeds kan zien. Eén deel was een watertank die het regenwater van terrassen en daken opving, het tweede gedeelte was een gewelfde zaal met vijf smalle vensters.
Dat is wat nog rest van Montségur. Maar is dit nu echt de kathaarse burcht? Het bolwerk dat 10 maanden stand hield tegen het Franse leger?
Wel, nee... Volgens de voorschriften van de Inquisitie werden ketterse woningen met de grond gelijk gemaakt en dat was hier niet anders. Wat je hier ziet zijn de overblijfselen van een garnizoensplaats, gebouwd door de heren de Lévis, in opdracht van de Franse koning, aan het einde van de 13de of begin van de 14de eeuw...
Wil je nog échte overblijfselen van de kathaarse nederzetting zien, loop dan door de noordelijke poort de burcht terug uit en ga linksaf. Daar zie je nog de kunstmatig aangelegde terrassen waar houten woningen op stonden.
In dit "kathaars dorp" hebben archeologen een groot aantal voorwerpen gevonden die je in het museum kan zien. Dat zijn de resten van het "echte" Montségur!

Bronvermelding : www.katharen.be
De grootste middeleeuwse citadel in de Languedoc: Peyrepertuse, het lijkt wel een reusachtig slagschip dat in de lucht hangt.
De weg loopt een stukje om de burcht heen tot in Duilhac-sous-Peyrepertuse. Vanaf hier leidt een smalle weg bergop naar de parking. (3,7km met gemiddeld stijgingspercentage.)
Peyrepertuse is zonder meer indrukwekkend. Het hele complex is 300 m lang, tot 50 m breed en bestaat in feite uit twee burchten die door een versterkte esplanade met mekaar zijn verbonden. De totale oppervlakte bedraagt 2,5 ha. Vanaf de parking loopt een niet al te lastige weg rond de burcht naar de ingang aan de noordzijde.
Het lijkt er op dat deze strategische plaats reeds door de Romeinen werd benut maar de naam "Peyrepertuse" (doorboorde steen) duikt voor het eerst op in de 8ste eeuw. In het begin van de 11de eeuw (er is dan sprake van een "castrum", een versterkt dorp) is de plaats in handen van de Catalaanse graaf van Besalu.
Bij het uitbreken van de kruistocht tegen de katharen wordt de plaats beheerd door de familie Peyrepertuse, vazallen van de burggraaf van Narbonne. Die is dan weer leenman van de koning van Aragon en aanvankelijk dus niet bij het conflict betrokken. Pas als Pedro II van Aragon zich met de zaak gaat bemoeien komt Peyrepertuse "in beeld". Maar er wordt niet gevochten. In 1217 onderwerpt Guillaume de Peyrepertuse zich aan Simon de Montfort. Later zal hij de strijd weer opnemen en bezet het naburige kasteel van Puilaurens.
In 1239 komt Peyrepertuse definitief in handen van de Franse koning Louis IX. Nuno Sanchez, de regent van Aragon, verkoopt het hem voor 20.000 goudfranken, een enorm bedrag. Guillaume de Peyrepertuse legt zich uiteindelijk bij de zaak neer en draagt de plaats over aan Jean de Belmont, kamerheer van de Franse koning.
Het zijn de Fransen die de burcht uitbouwen tot de vesting waarvan we nu de resten zien. Peyrepertuse verliest zijn strategisch belang bij het Verdrag van de Pyreneeën van 1659 wanneer de definitieve landsgrenzen worden vastgelegd. Tot aan de Franse Revolutie blijft er een klein garnizoen op post.

Bezoek aan de burcht
Het kasteel staat op een kalksteenkam van bijna 800m hoog en kijkt uit op wijngaarden en woest land. Het is bereikbaar met de auto tot bijna aan het kaartjesloket. Van daaruit leidt een schaduwrijk pad naar het kasteel, een kwartiertje later bereik je de toegangspoort.
Het monument bestaat uit 3 delen; de onderste vestingmuur met de slottoren, de middelste vestingmuur en de slottoren Sant-Jordi.
De onderste driehoekige vestingmuur wordt aan de noordkant beschermd door een 120m lange muur met twee halfronde torens, waar de resten van de weergang te zien zijn: brede platte stenen die op de kraagstenen rusten. De noordelijke muur eindigt in een driehoekige toren. De zuidkant wordt verdedigd door de steile rotshelling en door het hoekpaviljoen waar men de latrines kan zien. De resten van een onregelmatig bouwwerk steken boven de ruïnes van een latere woonruimte uit. In de noordwesthoek bevindt zich de ingang.
In de oude slottoren bevindt zich een woongedeelte en de Mariakerk. De kerk is een Romaans bouwwerk waarvan de apsis een halve koepel heeft. Het middenschip is in tweeën gedeeld door een later gebouwde muur en met een tongewelf bedekt. Het woongedeelte bestaat uit twee boven elkaar gelegen gewelfde ruimtes, met erboven een halfronde toren. Er waren vier regenwaterreservoirs. Eén in de kerk, één in het woongedeelte en twee andere in Sant-Jordi.
De middelste vestingmuur is op een naar het noorden hellende hoogvlakte gebouwd. Men kan er de ruïnes van gebouwen zien, waaronder een veelhoekig gebouw met muren en schietgaten.
De slottoren Sant-Jordi is bereikbaar via de trap (60 treden) Lodewijk de Heilige, die aan de noordkant in de rots is uitgehouwen. In de slottoren is de kapel Sant-Jordi (St George) met één middenschip en een halfronde apsis. Van hieruit ziet men het kasteel Quéribus en verderop de toren van Del Far de Tautavel en Força Real in de Roussillon.

Bronvermelding : www.katharen.be
In 1255, elf jaar na de val van Montségur, moest ook Quéribus het opgeven. Hier geen uitputtende belegering en ook geen brandstapel: de katharen waren tijdig in veiligheid gebracht uit de laatste "kathaarse vesting" die nog overbleef.
De militaire strijd tegen de katharen en hun beschermers was daarmee voorgoed afgelopen. De inquisitie zou de fakkel definitief overnemen.
Je rijdt naar de "Grau de Maury", een kleine col met een prachtig uitzicht, waar vlakbij een parkeerplaats en een onthaalcentrum zijn ingericht. (klim van 17%)
De burcht ligt op het grondgebied van de gemeente Cucugnan, een wijndorp dat onsterfelijk werd gemaakt door de Franse schrijver Alphonse Daudet in zijn verhaal "Le sermon du Curé de Cucugnan".
Eigenlijk heette de echte auteur Achille Mir en in het minitheatertje in het dorp kan je zijn versie beluisteren en bekijken. Zeker doen! Je kaartje voor de burcht geeft ook toegang tot deze voorstelling.
Bezoek aan de burcht
De burcht, gebouwd op een grote rotsmassa is ongeveer 80 m lang en 20 m breed. Aan de noordwestzijde, waar de donjon staat, is de rots het hoogst en ze loopt dan geleidelijk af tot op de Grau de Maury.
Aan alle andere zijden is ze loodrecht of zelfs overhellend, 15 à 25m aan de noord- en oostzijde en meer dan 50m aan de zuidkant: een natuurlijke verdediging die er mag zijn.
Zelfs langs de westkant is de toegang niet eenvoudig, de weg loopt over verschillende rotsterrassen, langs duizelingwekkende diepten. Meer dan 3 personen kunnen nergens gelijktijdig passeren.
Vanop de Grau de Maury loopt een geasfalteerde weg langs de noordkant van de rots naar een klein plateau, een vijftigtal meter onder de noordoost vleugel. In rechte lijn ligt dit plateau op ongeveer 200 m van de donjon en belegeraars konden hier hun kamp opslaan zonder al te veel risico.
Tussen het struikgewas heeft men de resten gevonden van een rechthoekig bouwsel, waarschijnlijk de stallingen van de burcht. Op de helling naar het kasteel ligt een diepe waterput die bij een belegering voor de burchtbewoners onbereikbaar was. Enkele meters onder deze put loopt een weg langs de noordzijde naar de eerste verdedigingspost.
Op het hoogste punt van de rots sta je iets hoger dan de burcht. Wanneer je in die richting naar beneden loopt kom je uiteindelijk op gelijke hoogte met het hoogste terras van de donjon en op zo'n 120 m afstand ervan. Vanaf hier was het voor de belegeraars mogelijk met katapulten de burcht te bestoken: de enige zwakke plek in de verdediging. Tussen de struiken zie je een platform van een honderdtal vierkante meters dat ongetwijfeld heeft gediend voor de installatie van een werpmachine. De klim naar Quéribus is kort maar steil.
Via een helling in chicane bereik je de eerste omwalling. De zijmuren van die helling hebben nu nog slechts de hoogte van een leuning. In combinatie met de moeilijke weg (steentjes), maakt dat het pad zeer gevaarlijk wanneer de tramontane waait. Een gladde, maar korte rotsweg brengt je onder een hoge muur met schietgaten. Die zijn vrij recent maar de muur zelf dateert van het einde van de 15e, begin 16e eeuw. Boven de schietgaten zie je de overblijfselen van een veel ouder bouwwerk. De poort bevindt zich achter de eerste omwalling. Het is een kleine opening, slechts één persoon tegelijk kan er door. De drempel ligt 1 m boven de rots. Boven de poort zit een venster met dezelfde afmetingen en achter de poort ligt een gang, gevormd door de eerste omwalling en een rotswand met de tweede omwalling. De muur is moeilijk te dateren maar is ongetwijfeld zeer oud (Romeins wordt door sommigen beweerd). Je bereikt de tweede omwalling langs een weg met in de rots uitgehakte treden, beschermd door een borstwering, vlak naast de afgrond.
Tussen de tweede en de derde omwalling bemerk je (overhellend aan de noordzijde) een vierkante wachttoren, die in verbinding stond met een grote uitkijkpost op de toegangsweg naar de burcht. Vlakbij ligt een eerste waterreservoir en de overblijfselen van een gewelfde zaal. Je ziet de muurverankeringen van de gewelven. Na nog enkele in de rots uitgehouwen treden kom je bij een gebouw van drie verdiepingen met een groot aantal vensters. Het waren ongetwijfeld de belangrijkste woonvertrekken van de burcht. Er zijn geen schietgaten, het was zeer onwaarschijnlijk dat de vijand tot hier zou kunnen doordringen. Het gebouw staat op een hoger rotsplateau en steekt boven de eerste twee omwallingen uit. De uitgehakte treden zijn van recente datum, waarschijnlijk gebruikte men vroeger een wegneembare houten trap.
Door een poort kom je, achter de derde en laatste omwalling, uiteindelijk op het hoogste plateau van de rots. Vlak achter de poort zie je links de uitkijkpost die in verbinding stond met de wachttoren. Langs rechts kom je op het gelijkvloers van het grote gebouw. Boven de uitkijkpost zouden zich de keukens bevonden hebben en daarboven een belangrijk waterreservoir dat werd gevuld met regenwater dat via het terras van de donjon werd opgevangen. Er was een overloop voorzien die uitgaf in het eerste reservoir achter de tweede omwalling.
En dan sta je uiteindelijk voor de donjon, zo'n 50 m hoger dan de barbacane. Dit imposante bouwwerk maakt een wat plompe indruk. De reden hiervoor is dat de donjon na de middeleeuwen werd aangepast aan het gebruik van vuurwapens, het bovenste gedeelte werd eraf gehaald. Het speciale profiel van de borstwering op het bovenste terras diende om kanonskogels te laten afwijken.
Onder de grote openingen in het gebouw zie je de resten van een oudere donjon. Het grootste gedeelte van de constructie dateert waarschijnlijk uit het begin van de 13e eeuw, dus tijdens de kruistocht tegen de katharen. De oudere gedeelten zouden uit de 10e of 11e eeuw stammen. Men heeft de fundamenten van het oude gebouw gebruikt om er de nieuwe donjon op te bouwen.
Een inmiddels verdwenen wenteltrap gaf toegang tot de zaal van de donjon en het terras. Hij bevond zich in het vierkante torentje aan de zuidwestkant.
Beneden aan de trap kom je door een opening in een kleine gewelfde plaats. In de hoek bemerk je een zwart gat. Dat leidt naar een gemetste versterking in de zijwand van de burcht, voorzien van schietgaten. In deze kamer bevond zich ook een derde waterreservoir. Na de opgravings- en restauratiewerken werd het om veiligheidsredenen terug dichtgemaakt.
Een vraag die dikwijls wordt gesteld is: "Waarom staat die zuil niet in het midden, terwijl dat bouwkundig perfect mogelijk zou zijn?" Fernand Niel reikt een logische oplossing aan: voor een bezoeker die aan de noord-west kant staat lijkt de zaal bijna dubbel zo groot als zijn werkelijke afmetingen (de muren meten ca. 7 m), een soort gezichtsbedrog dus, het genie van de architect...
Vanop de donjon (als je er op mag want dat is niet altijd mogelijk) en ook vanuit de rest van de burcht kan je van een schitterend uitzicht genieten. Bij helder weer zie je Perpignan en de Middellandse zeekust liggen (28 km). Daar tegenover ligt de grimmige vesting Peyrepertuse.
In de laatste verzetsdagen van Quéribus, toen Peyrepertuse al lang door de Fransen bezet was, zaten de twee vijandelijke legers hier als het ware bij mekaar binnen te kijken...

www.payscathare.org : Association des Sites du Pays Cathare

