Schotland

Na jaren van geduldig wachten is het eindelijk zover; een ideale combinatie van enkele feestdagen en een groter wordende dochter zorgen er voor dat Schotland op de planning kan gezet worden. Heel overtuigd is Ria niet, vooral het weer, dat op een vakantie niet zelden doorslaggevend is, speelt haar parten. Wat extra overtuigingskracht is nodig. Persoonlijk contact met enkele ‘Schotland-freaks’, en een prachtig ‘Schots weekend’ in Alden Biezen doen uiteindelijk de weegschaal overhellen.

Van onze directe buren is Engeland in alle opzichten een buitenbeentje; de dure overtocht, het halsstarrig gebruik van de Pond, het ‘linksrijden’, de ‘miles & inches’,… rokdragende mannen,…Het maakt toch dat het land, ongeacht zijn cultuur en natuur, minder toegankelijk is voor de vastelandbewoners. Een retourtje Londen gaat nog net, met de motorhome naar topje Schotland is een heel ander verhaal.
Prijs/kwaliteit leek de P&O oplossing ons het best, van Zeebrugge met de nachtvaart tot Hull.
Uren heb ik gesleten voor de PC. Geduldig werd alle beschikbare informatie gekanaliseerd, uiteengerafeld en tot slot chronologisch in twee lijvige A4-dossierkaften gebundeld. In mijn gedachten heeft Schotland geen geheimen meer, tientallen keren heb ik de reis reeds overgedaan. Mijn hersenen kennen alle bezienswaardigheden, alle wegen, alle campings en overnachtingplaatsen. Nog nooit was een planning zo intens. Meer dan 2.900km op 16 dagen. We zijn er klaar voor
Zaterdag 26 april - 116km
Kort na de middag rijden we Schoten uit, via Antwerpen en de Expresweg richting Zeebrugge. Net voor we de P&O laadkade oprijden gooien we de dieseltank nog eens vol. In Engeland staat de mazout 1.30£, toch zo’n 1.70€…

We zijn ruim op tijd en worden keurig in de rij gezet door een Steward. Links en rechts moet een auto de koffer openmaken, een zeer summiere check van de bagage volgt. Enkele minuten later draaien we de ‘ramp’ van de boot op. De ijzeren platen daveren en met een vrij steile oprijhoek denderen we over het laadplatform. Vooraan de boot maken we een 180°-bocht en plaatsen ons op een smal rijvak. Al bij al valt het reuze mee. Ria heeft een kleine bagagetas klaargemaakt met wat noodzakelijke spullen in. Het is net half zes als we onze trotter op het autodek achterlaten. Via een smalle trappenzaal komen we uit op de zesde etage (het blauwe en tevens hoogste dek). Nieuwsgierig openen we onze kajuit. Het ziet er goed uit, twee stapelbedjes in de hoek, een afsluitbaar toilet- en douchegedeelte in de andere hoek en zeker twee vierkante meter om nog in rond te huppelen. Het had slechter gekund. Voor het vertrek van de boot besluiten we om nog een snelle verkenning van de bovenste drie dekken voor onze rekening te nemen. Een dubbele sluis brengt ons in de buitenlucht. De zon, die al de hele dag geschenen heeft, zakt tergend traag naar het watervlak toe. Zaterdagavond, in de Brugse haven rijden constant containers af en aan, gerobotiseerde kranen zeulen met grote vrachten.

We mijmeren wat tot de schelle en knarsende luidspreker ons aanmaant om het restaurant te vervoegen. Voornamelijk Oosters personeel schuifelt langs de tientallen gedekte tafels. Een uitgebreid buffet staat uitgestald op twee verschillende togen. We laten ons echt verleiden door al dat lekkers, Engelse kost maar keuze te over en netjes verzorgd. Tijdens het dessert en zelfs zonder dat we’r erg in hadden waren de enorme schroeven tot leven gekomen en hadden de ‘Pride of Bruges’ al voor een kwart gedraaid. Zacht trillend en met het gebrom van een grote horzel zet het schip koers richting Hull. Wij slenteren langs de Tax-Free shop en het achterdek, genieten van de zonsondergang, drinken nog een slaapmutske in de 'Four-Season' Lounge’ en verdwijnen dan voor de nacht in onze cabine. De Noordzee ligt er rimpelloos bij. Van het gevreesde geschok en gezwalp, eigen aan de zeereis merken we weinig. Ik weet amper dat mijn tweede been de matras raakt. Ik slaap zalig.
Zondag 27 april - 341km
Om half zeven zitten we al aan het ontbijt. Engels op z’n best, met bonen in tomatensaus en worst, spiegeleieren in muesli met een kwak yoghurt er bovenop, zelfs een Franse croissant en chocoladebroodjes in overheerlijke bladerdeeg.
Langzaam maar zeker naderen we ‘Hull’ en even voor achten lost de eerste wagen de handrem. Eindelijk, en nu op naar Schotland, toch nog een 300km verder maar eerst….links rijden. Ik wacht tot iemand me voorbijsteekt en rij de eerste honderden meters en twee ronde punten in zijn kielzog. Dat moet volstaan. Het went snel, ik vind de ronde punten zelfs makkelijker dan bij ons. Een miles/kilometer tabelletje wordt tevoorschijn getoverd. De weg richting Leeds is druk, ondanks het tijdstip. Ik ben alert en gebruik het eerste uur om alle verkeerssituaties te doorgronden, oef, wat een meevaller.

Met het weer is het, naar Engelse gewoonte, wat minder. Wat lichte motregen, af en toe een gutsende bui, en heel soms een schuchtere zonnestraal. We draaien de A1 op richting ‘North’. In ‘Darlington’ verlaten we de autostrade en nemen de A68. Van licht- naar zwaargolvend, van breed naar smal. Vrij abrupt bochtenwerk en zeer steile hellingen, op en af. Dikwijls kriebelt het in de buik, soms is het vrij akelig omdat je de weg niet meer kan zien. Net één grote ‘achtbaan’. De dorpen worden schaarser, de natuur uitgestrekter. Honderden hagen en duizenden muurtjes bakenen ontelbare weides af, thuisfront voor al even zoveel schapen en lammeren. Op de parking van ‘CarterBar’ houden we even halt. Twee megalieten duiden de grensovergang aan. Eindelijk Schotland.
Het is niet te geloven maar enkele honderden meter verder duikt de eerste kilt al op. We rijden tot ‘Jedburgh’ en plaatsen ons op de grote parking net naast de ruïne van één van de vier grote grensabdijen. Tijd om de benen te strekken. Langs de bouwval tot in het dorpscentrum en het lokale toerismebureau. We laten ons inlichten over het wel en wee van ‘Jedburgh’. Blijkt dat alle parkings voorzien werden van verbodsborden om te overnachten, da’s wel een tegenvaller, de 5.2£ p/p (6.8€) entree voor de ruïne ook.
We besluiten naar ‘Melrose’ te rijden, 20km verderop, en bezitter van ’s lands meest prestigieuze grensabdij. Even duur, maar een pak mooier en interessanter. We slenteren door de prachtige aanplant, langs de metersdikke muren van de abdij. Middeleeuws gebeitelde en zwaar geërodeerde teksten zijn nog nauwelijks zichtbaar. De magere zon legt een roze schijn neer op het ribgewelf. Op het oude aanpalende kerkhof proberen we om de opschriften te ontcijferen. Grafzerken met duidelijke vrijmetselaarstekens en tafeltombes met Latijnse letters liggen broederlijk naast elkaar. Wat later verlaten we het kleine park. Tijd om slaapgelegenheid te zoeken. Recht tegenover de abdij is een klein ijssalon met meeneemhoorntjes; Ria kan’t niet laten, 1.75€ voor één bolleke…


De kleine parkings in en rond ‘Melrose’ bieden nauwelijks mogelijkheid om te overnachten. We besluiten dan maar op camping te gaan. Op de receptie van ‘Gibson Park’ is men bijzonder vriendelijk. De Patron legt ons met handen en voeten uit waarom de Caravan Club Site zo duur is voor toeristen. Welgemeend en in een bijna onverstaanbaar soort Engels hield hij een tirade op de ‘Club Sites’. Voor de Engelsen een zegening, voor ons spijtig genoeg 7£ per nacht duurder…
Toch hebben we er alle begrip voor. We schrijven ons in. De douches, het sanitair en de plaatsen zijn netjes en verzorgd. Na het avondeten lezen we nog wat en kruipen vroeg onder de dons terwijl er buiten wat miezerige regen op het mth-dak valt.
Maandag 28 april - 74km
We hebben goed geslapen, 11uur onder de dons, dit is ongekende luxe. Na het klassieke ochtendritueel verlaten we een uur later de camping. De eigenaar, voor de verandering getooid in een biljartgroene overall, waait ons glimlachend uit. Net voorbij ‘Melrose’ draaien we onder ‘Galashiels’ door en volgen de A707 ofwel ‘Tweed Valley’. Vrij ongewild rijden we met een gezapig tempo door de vallei. Het is er ronduit prachtig, zonnestralen priemen doorheen het ontluikend bladgroen, duizenden paasbloemen staan als in bedden langsheen het tarmac. Een maand later dan bij ons sieren ze nog steeds talloze voortuintjes, het lijkt de nationale trots dezer dagen. Net voorbij ‘Innerleithen’ draaien we linksaf, richting ‘Traquair House’. De prachtige Koninklijke residentie blijkt buiten het seizoen enkel toegankelijk gedurende het weekend. Maar niet getreurd, de buitenzijde biedt meer dan moois. We wandelen een half uurtje door het park en in de aangrenzende tuinen, bezoeken een ambachtelijke stielman in Keltisch smeedwerk en slenteren terug naar de mth.
We verlaten ‘Traquair House’ langs een smalle ‘Single Track’. In Peebles zoeken we een pomp op. Ondanks de dure diesel mag je niet meer dan 30£ tanken, met moeite 24 liter. De inhoud van onze tank zwelt aan tot ¾, meer niet, we zien wel voor de komende dagen.

We volgen nu richting ‘Edinburgh’. In ‘Leadburn’ draaien we rechtsaf richting ‘Roslin’ en z’n bekende kapel, meteen een eerste hoogtepunt van onze Schotse reis. Op de parking eten we nog eerst ons middagmaal, temeer daar een bus Engelse zestigers net voor ons de parking is opgedraaid. De 2 entreekaartjes en de informatieve gids kosten ons losjes 23£ (30€). Deze maal is het echt gerechtvaardigd. De lokale gids beheerst z’n vak als geen ander. Gepassioneerd vertelt hij ons over de geschiedenis van het gebouw, zonder één detail over het hoofd te zien, beklemtoond hij de nood van de conserverings- en restauratiewerkzaamheden en weerlegt kritisch de zovele legendes, zonder dat sprankeltje mystiek definitief te ontkrachten. De gotische kapel is echt prachtig, houtsnijwerk in zandsteen, als een Bijbels sprookjesboek. In enig ander materiaal zou het ronduit kitscherig zijn, maar dit, dit is schitterend. Het overtreft onze stoutste droom. Door de restauratiewerkzaamheden kunnen we op de steigers rond de kapel. Ook aan de buitenzijde is elk detail met een chirurgische precisie uitgevoerd. Alsof lasertechnieken in de Middeleeuwen gemeengoed waren…
Ontelbare keren lopen we langs de zijbeuken en de ‘Lady’s Chapel’, op zoek naar verborgen gezichten in het ribgewelf. Na Dan Brown’s ‘De DaVinci Code’ is het aantal bezoekers bijna vertienvoudigd, van 20 naar 175.000 met een maximum van 1.000 per dag. En of de legende nu waar is of niet, het heeft één voordeel; door de grote toeloop komt de restauratie voorlopig niet in het gedrang en kunnen de volgende generaties ook nog genieten van dit prachtig bouwwerk.
Na een uur of twee houden we het voor bekeken. Resten ons nog een kilometer of 9 tot ‘Mortonhall Caravan&Camping Park’, de ideale uitvalsbasis voor het stadsbezoek van ‘Edinburgh’ morgen. We nemen alvast genoeg inlichtingen om de busdienst niet te missen…
Dinsdag 29 april

We ontwaken onder een blauwe hemel, hier en daar een uitgerafelde wolkensliert, maar het belooft goed weer te worden. Een uurtje later echter ziet de hemel er volledig anders uit; donkergrijze, zwaarbeladen regenwolken pakken samen rond de Schotse hoofdstad. De zware winterjas wordt tevoorschijn getoverd, Gore-tex schoenen aangenesteld, de paraplu niet vergeten. Beladen met rugzak en fototoestel verlaten we de camping richting bushalte waar we een kwartiertje later worden opgepikt door een vrij nieuwe dubbeldekker. Met pasmunt kopen we ineens ook het retourtje, dan zijn we daar al van af. De voorstad is vrij proper en heuvelachtig, een woord dat we die dag nog dikwijls zullen gebruiken. Auto’s zijn dik in de minderheid, dit is de stad waar autobussen en taxi’s de doorstroom bepalen. Op aparte rijvakken vliegen ze tot in het centrum. Schuchter vragen we aan een medepassagier waar we moeten afstappen. Achter de zware Gucci-montuur fronst ze nauwelijks merkbaar de wenkbrauwen. Je ziet haar denken; Wie kent ‘Princes Street’ nu niet. Ach, Tourists! De drukte neemt geleidelijk toe, zonder dat het Belgische normen aanneemt. Een klein halfuurtje later komen we via ‘Lothian Road’ in de hoofdstraat. We stappen uit ter hoogte van ‘Edinburgh Castle’. Het park tussen de hoofdstraat en het kasteel wordt prachtig onderhouden; grote graspartijen met duizenden bloemen in netjes afgeboorde perken, een zigzag lopend wandelpad dat het hoogteverschil met het kasteel overbrugt en een schitterend gecamoufleerd treinspoor tot ‘Waverley Station’. We nemen de steile trap tot de ‘Floral Clock’ en draaien dan rechtsop ‘The Mound’, een brede brug over de sporen van het station. De hele stad door vind je prachtig verzorgde bloembedden. Tulpen, paasbloemen, narcissen en wilde hyacinten kleuren de binnenstad in een regenboogpalet. We nemen een kleine steile, met kasseien geplaveide weg. Hier wil je echt niet met de fiets op; ik schat zo’n 20%. We komen uit op ‘The Hub’, de grote plaats net voor het kasteel, bekend van de Tattoo. Eerste stop is een ‘Tartanweverij’. Uit het weefgetouw rolt centimeter na centimeter de bekende Schotse ruit. Enkele winkels prijzen de vooral inlandse wolproducten. ‘Prêt-à-porter’ kan je’r Schotse outfits kopen, het ziet er allemaal vrij ‘echt’ uit…

We vervolgen onze weg langs de ‘Royal Mile’, een brede, langzaam dalende straat, links en rechts bezaaid met historisch belangrijke gebouwen, waarin op de benedenverdieping meestal een kledijwinkel is gehuisvest. Het is helemaal niet druk. We passeren een kleine eetzaak en laten ons verleiden op een ‘Fish&Ships’. De gefrituurde vis kan ons nog bekoren, de als schorseneren uitziende frieten totaal niet. En dan hebben we nog de versie zonder azijn geprobeerd…tot groot jolijt van de uitbaatster. ‘Tourist’, was ik haar voor, ze glimlacht gemeend en begrijpend.
De zon is nog steeds van de partij. Licht zwetend onder de anorak zetten we ons met onze bak ‘Fish&Ships’ op een bank tegenover de eettent. Met een veel te slappe plastieken vork proberen we de grote frieten op de drietand te prikken, wat niet altijd evident is. De gefrituurde vis wordt in de 5 geboden genomen…
Een Schots koppel wandelt voorbij ons, stopt en vraagt glimlachend of het lekker is…Ik voel me gigantisch idioot met dat piepschuimen bakje op mijn schoot, getooid met een winterjas en regenscherm bij de hand. Met een leugentje voor bestwil stel ik de man gerust. Ze zetten zich op de bank naast ons en eten hun ‘Fish&Ships’ op. Hopelijk smaakt het hen beter…

We wandelen door tot het Schots Parlement, een nagelnieuw en vrij ingenieus gebouw. Hier gaat het linksaf richting ‘Calton Hill’. Het vergezicht is adembenemend. Op het kerkhof kan je de stad vrijwel helemaal overschouwen. De namiddag loopt op z’n eind. We slenteren nog even door ‘Princes Mall’, een klein shopping center en stoppen onze toer aan het ‘Scott Monument’, een zwarte solitaire toren die eigenlijk wat misstaat in de entourage van deze stad.
‘Edinburgh’ heeft ons vandaag niet gegeven wat we ervan verwacht hadden. Het is mooi, maar niet overweldigend. Proper en goed verzorgd, maar het heeft niet de uitstraling die je in andere steden wel vindt. Nu zijn we ook niet het type dat elk gebouw gaat bezoeken en dagenlang tussen de historische huizen en kastelen kan ronddwalen, maar ons zesde zintuig miste iets… de hoofdingrediënten zijn aanwezig, maar het peper en zout ontbrak…
Woensdag 30 april - 131km
We zijn vroeg wakker, de regen klettert met momenten hard op het dak, de wind beukt met forse stoten tegen de zijwanden. Voorzichtig laten we de rollo’s zakken. Donkergrijze wolken schuiven aan een hels tempo voorbij en lossen hun ijzige substantie. We trekken de donsdeken tot over de oren, hebben geen zin om op te staan in dit weer.

Het ophaspelen van de elektriciteitskabel, het afrijden van de blokken, het duurt amper een handvol minuten en toch ben ik doorweekt, dat belooft. Een kwartiertje later verlaten we de camping en rijden langs de zuidzijde van ‘Edinburgh’. De GPS vervult z’n taak meer dan onberispelijk. We rijden over de ‘Forth Bridge’. Het prachtige uitzicht wordt grotendeels belemmert door de grijze mistbanken die over de ‘Firth of Forth’ hangen. De ijzeren spoorwegbrug, die nauwelijks enkele honderden meter oostwaarts ligt, is met moeite te ontwaren. Onmiddellijk over de zeearm draaien we rechtsaf en volgen de toeristische kustweg. Deze stelt qua rijcomfort weinig voor. Het honkt en bonkt allemaal iets te veel en van afwatering of riolering heeft men deze weg niet voorzien. Voorbij ‘Kirkcaldy’ gaat het landschap over in Bretoense glooiingen, de huisstijl is weliswaar totaal anders, maar het terrein heeft duidelijke overeenkomsten. In ‘St Monans’ volgen we de pijlen tot ‘Kellie Castle & Gardens’. Voor dit bezoek zijn we nog te vroeg op het seizoen. De tuin is nog vrij doods, nochtans is het een echte aanrader in de maanden juni en juli.

Via ‘Crail’ rijden we door tot St Andrews, onze volgende halte. We plaatsen de motorhome op ‘Cairnsmill Caravan Park’ en net als we ons schoeisel aangespen stopt het eindelijk met regenen. We wandelen 1,5 mile bergaf tot ‘St Andrews Cathedral’, de mooie en vooral grote ruïne is indrukwekkend. Wat verder ligt ‘The Castle’, ook al de moeite waard. Tegen de zeekant ligt zelfs een Middeleeuws open zeewaterzwembad, stel je voor. We draaien terug en kronkelen langs de verschillende universiteitscampussen. Allemaal ondergebracht in kleine, gezellige herenhuizen en villa’s. Nu begrijp ik waarom iedereen wil ‘Erasmussen’ in Schotland. We kuieren door de twee typisch Schotse winkelstraten en nemen ons vieruurtje in een Italiaans café. Tegen de tijd dat wij in bed kruipen zal de knusse universiteitsstad ongetwijfeld tot leven komen en liters bier zullen weer rijkelijk vloeien.
Vanaf morgen verlaten we min of meer de bewoonde wereld en trekken stilaan naar de 'Highlands', dat wordt weer een ander avontuur…
Donderdag 1 mei - 217km
Ik slaap slecht en ben veel te vroeg wakker. ’s Nachts heeft het serieus geregend, niet constant maar met grote tussenpozen. Nu ziet het er niet slecht uit, maar lang duurt het niet. Nog voor ‘Dundee’ valt het er weer met bakken uit. Op de weg is het druk, we moeten dwars door de stad. Het links rijden is geen probleem meer maar ze kunnen je het verdomd lastig maken, soms twee ronde punten direct na elkaar waarvan het uiterst linkse rijvak wegdraait. Niet onoverkomelijk als je’t weet, maar toch laat ik me twee keer ringeloren. We volgen de A90 richting ‘Perth’ en draaien vervolgens links in ‘Dunkeld’. Tot daar de drukte van de stad…
De A822 kronkelt op en neer, soms als ‘Single Track’, soms als tweevaksbaan. Wat een verschil met enkele kilometers terug. Op de heuvels ligt sneeuw. Zo ver het oog reikt zie je witte stippen in de weides. Duizende schapen grazen onophoudelijk langs de nog dorre berghellingen. Hun pasgeboren lammeren verkennen nog volop de grenzen van de kudde. De witte wollen jasjes zijn netjes onderbroken door zwarte sokjes en een zwarte vlek op de neuspartij. Ze stoeien wat met elkaar, springen soms met alle poten de lucht in of lopen weg in volle draf. Anderen liggen dan weer languit en koesteren zich in de nog frisse voorjaarszon.

Buiten de verschillende grassoorten is het vooral heide en gaspeldoorn dat op de flanken groeit. Tot ‘Tummel Bridge’ komt er weinig verandering in het natuurbeeld. We draaien rechtsaf en plaatsen ons enkele kilometer verder op de parking van ‘Queens View’, genoemd naar het bezoek van Queen Victoria in 1866. Het uitzichtspunt is inderdaad overweldigend. Twee ‘mile’ verder passeren we ‘Blair Castle’, een prachtig wit kasteel met fraaie tuinen eromheen.
Net buiten ‘Pitlochry’ bevindt zich ‘Edradour’; een vrij kleine, maar artisanale whisky-distilleerderij, gratis te bezoeken. Je wordt getrakteerd op hun 10 jaar oude alcoholderivaat; goddelijk. De vrij moeilijk verstaanbare gids doorspekt de rondleiding met wat Engelse humor. We volgen het hele bereidingsproces en komen uiteindelijk, zoals te verwachten werd, in het verkoopspunt. Van goedkopere ‘Blended’ tot peperdure ‘Single Malt’, het is allemaal verkrijgbaar, van 19£ tot net geen 300£ voor een flesje… We zetten ons in de lokale ‘Bar’ en trakteren onszelf op een heuse ‘Single Malt’. De afdronk is sterk en intens, wat kruidig en een heel klein beetje rokerig. Buiten is het beginnen hagelen, grote erwten vallen onophoudelijk naar beneden. Zelfs de lokale bewoners kijken nieuwsgierig naar de hemelsluizen. Op amper een vijftal minuten ligt er een tapijt van wel 3cm dik.


Tot ‘Bridge Of Cally’ is het nog een halfuurtje rijden. Langzaam baant onze trotter zich een weg door de vallei van de ‘Ardle’. We komen nauwelijks een tegenligger tegen. Het is voorbij 18u, de hoogste tijd om de handrem op te trekken…
Vrijdag 2 mei - 284km
Er is geen wolkje aan de lucht. Zover onze Schotlandervaring reikt weten we uiteraard dat dit geen garantie is, maar het begin is er alleszins. Vandaag staan een deel van de 'Cairngorms' op het programma; een prachtig stuk natuur in het ‘National Park’ te midden van de driehoek ‘Dundee-Aberdeen-Inverness’. Ondanks de vrij lage hoogte van de heuvels liggen er hier en daar nog grote plukken sneeuw. De lage vegetatie bestaat voornamelijk uit heide en gras, bomen zijn eerder schaars. Ondertussen is het bewolkt geworden. De smalle tweevaksbaan (A93) slingert onophoudelijk tussen de ‘Glens’. Met een ruk vliegt het stijgingspercentage de lucht in, 20% meldt een bord langs de zijkant van de weg. Het zicht is prachtig, ter hoogte van ‘Devil’s Elbow’ liggen enkele kabelliften. Tot een maand geleden werd hier waarschijnlijk nog deftig geskied langs de steile hellingen. Nu ligt alles er verlaten bij, rond de parking blijft enkel een enorme modderbrij achter.

Voorbij ‘Braemar’ houden we halt bij ‘Balmoral Castle’, de Schotse residentie, zeg maar buitenverblijf, van de Britse kroon. De prijs voor een toegangsticket is zoals bij alle burchten, kastelen en panden met enige historische waarde nogal bij de haren getrokken. Ze variëren tussen de 5.50£ en 11£ (7€-14€) per persoon, prijs van de parking (1£) niet inbegrepen. Als je weet dat je’r enkele tegenkomt per dag, kan je even uitrekenen hoeveel Euro’s je lichter bent na twee weekjes Schotland… Je kan wel lid worden van een ‘Trust’ waarbij je ticketten goedkoper kan bestellen, maar echt goedkoop is het nooit…
Voorbij ‘Ballater’ en een onvoorziene wegomleiding draaien we de A97 op. Bij ‘Cock Bridge’ zwiept de weg weer met een bijna onmogelijk stijgingspercentage. Onze Trotter heeft er plezier in en volgt vrij makkelijk de enkele wagen die voor ons uit rijdt. Links en rechts verschijnen weer kabelbanen. De bergen waarop geskied kan worden zijn amper 800meter hoog. We passeren ‘Tomintoul’, het hoogst gelegen dorpje van de ‘Cairngorms’. Het is er maar stilletjes. Schitterende heuvelruggen schieten aan ons voorbij. De natuur ontluikt met een tergende traagheid. We zijn begin Mei en aan de meeste bomen ontbreekt nog elk blad, meer dan een maand later dan bij ons. De heide staat nog donkerbruin en voelt dor aan. Enkel de gaspeldoorn staat in een geel lentekleed. In de tuinen van de lagergelegen valleien vind je Narcissen.
In tegenstelling tot het ‘Glenmore Park’ is ‘Inverness’ geen oase van rust, maar eerder het voor ons zo bekende gejoel en gedraai van de stad. Het is er ongewoon druk. We staan even in de file, een gevoel dat we al een weekje missen. Voor alle zekerheid gooien we de dieseltank vol; 1.25£/liter (1.625€/liter), ik krijg het warm en koud tegelijk.

Over de brug met de ‘Ness’ draaien we zuidwaarts en rijden parallel met het gelijknamige ‘Loch’. We houden halt op één van de ontelbare parkings langs de oever. We turen wat in de verte en proberen om Nessie waar te nemen, onbegonnen werk me dunkt. In ‘Drumnadrochit’ verraadt een nep-dinosaurus langs de kant van de weg een groot themapark, leuke hebbedingetjes hangen in de etalages. Blijkbaar is de afzetmarkt nog steeds niet gering, getuige de enkele autobussen en tientallen personenwagens. We rijden door tot ‘Urquhart Castle’ en houden een lange pauze. Tot de overnachtingsplaats in ‘Dingwall’ aan de oever van de ‘Cromarty Firth’ is het nog 30km. We zijn net op tijd om nog wat rond te slenteren in het stadje en strekken onze stijfgezeten benen, de fietsconditie is ver weg, en het zal er nog niet op beteren…
Zaterdag 3 mei - 195km
Er hangt wat halfdoorschijnende en lage mist, het belooft een mooie dag te worden. Alvorens te vertrekken stoppen we nog even aan een ‘Tesco’-grootwarenhuis. Gelijkaardige produkten, sommige duurder, anderen dan weer spotgoedkoop, uitkijken dus. Eén ding is een feit, de brandstof scheelt een aardig stuk…in de goeie richting.

Net voor ‘Alness’ nemen we de B9176 en snijden zo een stuk van ‘Easter Ross’ af. Verder is er tot ‘Bonar Bridge’ weinig te vermelden. Net voorbij ‘Culrain’ verandert de weg en wel zeer drastisch; de door sommigen gehate en door anderen geprezen ‘Single-Track’. De eerste 30km houdt de weg gelijke tred met een klein stroompje, de’Oykel’, er zijn genoeg passeerpunten en op de 50km lange weg komen we amper 5 tegenliggers tegen. Er is bijna geen hoogteverschil en knelpunten zie je van ver aankomen, een makkie dus. In ‘Ledmore’ wordt de baan zelfs terug breder. We nemen een lange middagpauze aan ‘Ardvreck Castle’.’Loch Assynt’ is een gedroomd filmdecor, woeste bergen, een uitgekerfd meer en twee ruïnes op het voorplan.
In ‘Unapool’ rijden we westwaarts en komen op het traject van de ‘Coigach&Assynt Tour’. Dit is ‘DE’ singletrack, amper 2,5meter breed, zwaarkronkelend, op en af en eigenlijk ligt de toplaag van het asfalt er nog erbarmelijk bij ook. Bochten (en er zijn er honderden) zijn zelden te overschouwen, agressieve hoogteknikken al evenmin. Het is dus uitkijken geblazen. Zoals aangegeven door verschillende borden is dit geen terrein voor onervaren chauffeurs, +7,5tonners en in veel gevallen komen de +8meters ook in de problemen. Normaal gemotoriseerde motorhomes doen het prima, onze 2,8 ietd heeft er in ieder geval geen probleem mee gehad, hoewel het stijgingspercentage soms tussen de 25 en de 30% hing.

Dit is fantastisch, Ria heeft het er niet mee, het ‘fietspad’ is haar iets te smal, de hellingen iets te hoog…
Hier en daar verschijnen wat huisjes, de dorpjes zijn volledig omheind, de wegen onderbroken door veerasters. De schapen, en in deze periode, ook de lammeren zijn heer en meester in de gehuchten. Ze lopen her en der wat te grazen en springen op de meest onvoorspelbare momenten de baan over…

‘Drumbeg’ is onze eerste kleine pauze, het vissersdorp lijkt volledig uitgestorven. In de hofjes van de enkele huizen ligt hopen vismateriaal, opgestapeld en uitgestald. Het geeft geen verzorgde indruk maar ‘Who cares’ hier in het hol van Pluto. Achter elke hoek, na elke top verandert het uitzicht vrij abrupt; bergbegroeiing, meertjes, gaspeldoorn en muurtjes.
Meestal kunnen we in derde versnelling alles aan, in de scherpe bochten en de steile berg-opjes even in tweede en dan terug in de derde. Het verveelt totaal niet, integendeel zelfs. De enkele tegenligger stopt meestal van ver op een ‘Passing Point’, andere keren stop ik op een passeerpunt. Er worden handjes omhoog gestoken, alles verloopt vlot. Bumperstukken langs de kant van de weg laten ook het tegendeel vermoeden… We rijden verder en worden er nogmaals aan herinnerd dat het wat ‘krapjes’ wordt. En inderdaad, langs de ene zijde een muurtje, langs de andere zijde een muur van metersdikke, met zware doornen bezaaide gaspeldorens, het scheelt nauwelijks een centimetertje, in een bocht kan ik niet anders dan de doorns weg duwen. Een fijne kras siert vanaf nu de linkerflank van onze trotter, spijtig.
Ik zou het nog bijna vergeten, maar het is schitterend weer, af en toe een wolkje, maar de zon schijnt volop. Ik vermoed dat dit een uitzonderlijk Schotse zomerdag in de lente is.

De toertocht draait een volledige lus rond de 5 bergen van het schiereiland. Ze zijn niet eens zo hoog (700-800m) en toch zijn ze impressionant van vorm en kleur. In ‘Badnagyle’ stelt de documentatie een bijkomende lus voor die we gelijk voor de rekening nemen. Voorbij ‘Reiff’ en ‘Achiltibuir’, mooie kleine vissersdorpjes langs de stranden van de grote Atlantisch oceaan. Overal vinden we bordjes ‘No Overnight Parking’. Enkele kilometer terug lag een wildcamping, daar maar heen dus. We moeten zelf het hekken openen. Wauw, één vierkante kilometer niets, twee containers die wat sanitair voorstellen en voor de rest niks, geen perceelaanduiding, geen elektriciteit, niks. We parkeren langs de kant van de weg. Een dozijn tentjes staan verspreid op het terrein, een handvol caravans en een motorhome maken de rekening compleet. Voor de rest is er een gigantisch strand met stenen aan de uiteinden en een zandstuk dat niet moet onderdoen voor één van onze kuststeden en een vergezicht dat geknipt zou kunnen zijn voor een of andere Western, ongelofelijk. We settelen ons en vertrekken direct op verkenning. Een hele kudde Britse jongelingen van een jaar of zes à zeven spelen barrevoets en amuseren zich kostelijk. Ze bouwen ‘Urquhart Castle’ na langs een zijtak van de zee, zoeken mooie keien en spelen daarna wat met de bal.

De nacht valt traag over het ‘Coigach’ schiereiland. En ongemene stilte valt over de kampeerplek. We liggen op het achterbed van onze ‘semi’ en genieten van het uitzicht over de bergen…
Zondag 4 mei - 222km
Donkere wolken hangen laag in de vallei, dit wordt andere koek. Net vertrokken regent het al. Honderden meertjes liggen links en rechts langs de smalle wegen. We draaien zuidwaarts tot ‘Ullapool’ en passeren een groot Golf-terrein. Vele dikke Duitse auto’s staan half op de weg geparkeerd.
Onze dieseltank is al beneden de helft gezakt en we weten niet hoe het zit met de tankstations op zondag, maar hebben nog even tijd. In ‘Poolewe’ stoppen we aan ‘Inverewe Gardens’, zonder meer een flora-hoogtepunt binnen een maand, nu, net na de aanzet van de lente oogt het bijzonder kaal. De loofbomen ontwaken met mondjesmaat, van bloemenpracht kan je nauwelijks spreken.

Volgens een lokale informant kan je 30km verder aan brandstof geraken, da’s al een opluchting. In ‘Kinlochewe’ vinden we inderdaad een kleine van-alles-wat-winkel die twee pompen heeft buitenstaan, 1.32£/liter, meer dan 1.7€/liter. We tanken een kleine hoeveelheid en spelen op zeker, morgen zitten we terug in de bewoonde wereld en hopen op ‘normale’ dieselprijzen.

We volgen de A896 en pikken aan bij de ‘Applecross&Torridon Tour’. Tot 'Shieldaig' is het een vrij monotone Single-track. Vanaf ‘Kenmore’ tot ‘Applecoss’ wordt de weg wat pittiger. De kleine vissersdorpjes hebben zich gespecialiseerd in langoustine-cultuur en -vangst. Het uitzicht is best wel mooi, maar wordt verpest door de aanhoudende regen. Van de groenbruine heesters en grassen op de heuvelruggen is weinig te bespeuren, de zwarte meren zijn nog zwarter dan anders. We besluiten in ‘Applecross’ onze tent op te slagen en wat vroeger te stoppen dan gepland. We staan sowieso voor op het schema door het goede weer van de afgelopen dagen. Morgen zien we dan wel verder…
Maandag 5 mei - 234km
Zo slecht het er gisteren uitzag, zo goed ziet het er vandaag uit; weg zijn de wolken, gewoon een kraakheldere hemel. Ik win nog wat informatie in bij onze Engelse buur. De weersvoorspellingen zijn goed tot zeer goed voor de volgende week, hopelijk is de BBC iets bedrevener dan bij ons. Onze buurman verzekert ons dat de ‘Bealach-na-Ba’-pas zeker te doen is met de motorhome, zeker vanuit de kant van ‘Applecross’. Die Single-track zou de hoogstgelegen geasfalteerde en moeilijkst te berijden weg zijn in heel het Verenigd Koninkrijk, dat belooft.


Tegen negen uur duwen we het gaspedaal in, onze trotter heeft echter niet veel tijd om op bedrijfstemperatuur te komen. Meteen wordt een redelijk stijgingspercentage aangehouden. Ik hou het toerental bewust wat lager. De pas ligt op 626meter hoogte, ik kijk met één oog op de hoogtemeter, we zijn halfweg. De laatste twee kilometer is de smalle weg wat steiler maar zeker doenbaar, ik meen zelfs dat de weg van ‘Unapool’ moeilijker was. De grote leistenen op de top liggen nog nat van de vele regen en weerspiegelen eindeloos het zonlicht. Het zicht over ‘Loch Kishorn’ is fantastisch. De grote parkeerplaats net voorbij de top staat afgelegen vol, de Schotse feestdag en het prachtige weer hebben al zeer vroeg, hele hordes Schotten op de baan gebracht. De afdaling is wat anders, een korte haarspeld of 4 en een percentage van om en bij de 20% gedurende de eerste twee kilometer. Andersom ligt deze pas er heel wat moeilijker bij. Voor de rest is het uitbollen tot aan het meer aan de voet van de ‘Meal Gorm’. Voor lange en zware motorhomes is dit een brug te ver denk ik, voor huurders evenzo.

In ‘Lochcarron’ heerst wel wat bedrijvigheid, de witte huisjes langs de oever van de zee zijn uitonderlijk proper en verzorgd. Het fantastische weer doet ons besluiten om even een ommetje te maken tot ‘Dornie’ en niet te wachten tot verder deze week, je weet maar nooit. Net voorbij het dorp ligt waarschijnlijk het meest gefotografeerde kasteel ter wereld; ‘Eilean Donan Castle’, bekend van de film ‘Highlander’ met Sean Connery en Christopher Lambert in de hoofdrol. Hier wordt je stil van.
Terwijl we over de toegangsbrug lopen slaagt onze verbeelding totaal op hol… Binnenin het kasteel is het chique, statig en mysterieus. Taferelen uit het dagelijkse leven van toen worden realistisch uitgebeeld door levensechte beelden. Ondanks het feit dat het kasteel nog geen honderd jaar in zijn huidige vorm bestaat, is het er precies altijd geweest. Ongetwijfeld is het bezoek een hoogtepunt tijdens onze reis. Wanneer we na een uurtje terug over de brug lopen heeft een doedelzakspeler zich tactisch opgesteld om wat zakgeld te verdienen. De scherpe klanken weergalmen langs de hoge muren en laten het verleden herleven, de koude rillingen lopen over mijn rug.
Wat misschien niet iedereen weet is dat het ‘Eilean Donan Castle’ in een zekere zin verbonden is met Vlaanderen. Eigenlijk hoort het kasteel toe aan de Clan McCrae, en wie kent de Canadese dokter John McCrae niet die de volgende lijnen neerpende dewelke universeel symbool staan voor de Eerste Wereldoorlog; 'In Flanders fields the poppies blow, Between the crosses, row on row…'

Je kan er niet naast zien, de steile brug die het eiland ‘Skye’ verbindt met het vaste land van Schotland vult de hele horizon van ‘Kyle of Lochalsh’. Het eiland is anders, de natuur is anders, de huizen, de bewoners. Op de grote afgeronde heuvels grazen schapen en koeien, ondanks de lage hoogte ontbreekt het weer aan bomen, raar. Tot ‘Portree’ ligt de baan er degelijk bij. We passeren ‘The Old Man of Storr’, een grillige rotspartij. Net voor ‘Staffin’ houden we halt bij ‘Kilt Rock’, een 65 meter hoge waterval aan de bazaltkliffen. Elke vijf meter stoppen we en nemen wat foto’s, alles is zo prachtig, zeker bij dit mooie weer.

Vanaf het havenstadje ‘Uig’ verlaten we voorgoed de Single Track. Een brede loper effent de weg tot ‘Dunvegan’, eindstation voor vandaag. We plaatsen ons op de lokale camping en zoeken een plekje dichtbij het water. De programmavoorsprong laat ons toe om een rustdag in te lassen. Morgen verroert onze trotter geen vin, absolute rust…
Dinsdag 6 mei
We staan wat later op dan gewoonlijk, de zon schijnt volop. We nemen uitgebreid ontbijt en luilekkeren wat. Rond de middag vertrekken we te voet richting ‘Dunvegan Castle’. De Westelijke ligging en de paar dagen zon doen wonderen. De natuur transformeert in een hels tempo. De kasteeltuin is schitterend, het kasteel oogt vrij koeltjes in z’n grijsgrauwe kleur. Binnen daarentegen, is het één en al grandeur. Schitterende olieverfdoeken hangen rijkelijk aan de origineel behangen muren. De in bijenwas gezette parket glimt als nieuw. Grote, met de hand geweven tapijten liggen in elke kamer. Antieke meubelen en koloniale accenten vervolledigen het geheel. In een bijna weggemoffelde gang hangen tot grote tegenstelling en ergernis, wat oude prenten van eilandbewoners die spijtig genoeg niet uit dezelfde buik zijn tot leven gekomen. Enkel hard labeur en een armtierig bestaan viel hen waarschijnlijk te beurt. Het harde klimaat is diep in hun aangezicht gegroefd. Deze mensen zijn niet vereeuwigd op een olieverfdoek…

Op de terugweg kopen we nog wat essentiële voedingswaren, het versgebakken krokante meergranenbrood smaakt ongelofelijk. De rest van de dag hangen we wat rond in onze zeteltjes, genieten van de zon en de zomerse temperaturen (28°C) en doen ons tegoed aan menig aperitief. Zelfs in Schotland kan men leven als God in Frankrijk…

Woensdag 7 mei - 111km
Vandaag staan we voor een zwaar dilemma, doel is ‘Mallaig’ en de hagelwitte stranden. Ofwel rijden we 260km, ofwel 90 en nemen we de boot voor een korte oversteek. Het aanhoudend schitterende weer en de dure dieselprijs maakt optie 2 bijzonder aantrekkelijk. De keuze is rap gemaakt.


In Dunvegan nemen we afscheid van de ongelofelijk sympathieke campinguitbater. We rijden langs de zuidkust van het eiland ‘Skye’ tot ‘Broadford’. Het constant afwisselende uitzicht verveeld nooit. We tanken nog enkele liter diesel en nemen dan de A851 richting ‘Ardvasar’. Maar goed dat we ‘Eilean Donan’ enkele dagen geleden hebben gedaan, anders was van deze optie geen sprake geweest. We zijn ruimschoots op tijd in de kleine haven en kunnen nog even rondslenteren in de kleine, prachtige ‘wol-shops’. Net op tijd legt de ‘Caledonian MacBrayne’ aan in de haven. Een tiental auto’s en 2 motorhomes kunnen makkelijk in de buik van de boot. Eenmaal in het ruime sop, doorkruist de zware diesel het gitzwarte water van de zee-engte. We schuifelen wat rond op het dek en kijken vol spanning of er geen dolfijn, een walvis of een of ander groot zoogdier te bespeuren valt. Het uitzicht op ‘Skye’ is prachtig. Een halfuurtje later meren we aan in ‘Mallaig’. Veel tijd krijgen we niet, met moeite de trossen vast en de eerste auto rolt reeds van de brug. We zetten koers naar ‘Morar’, een tiental kilometer verder. Dit stuk van Schotland is bekend voor z’n witte zandstranden en eerlijk gezegd, dit is Caraïbisch. Dit is ‘Bounty’, ‘Maccleans’, ‘Baccardi’ en ‘Batida de Coco’…maar dan zonder de palmen. Uitgestrekte witte zandvlaktes, gescheiden door basaltstroken, kilometers verlaten strand. In het achterland ligt te midden van het golvende terrein hier en daar een witgeverfd huisje. De overal aanwezige gele gaspeldoorn verspreid onmiskenbaar een zwoele geur van tabak en kokos. We plaatsen ons op een kleine, fantastische camping met een onuitspreekbare naam. In echte zomer-outfit wandelen we enkele uren langs de weggetrokken zee en zoeken schelpjes, schrijven wat onbenulligheden in het zand en rusten wat uit, gezeten op een handdoek. Dit is niet mystiek, dit is idyllisch. Tegen de avond zien we er uit zoals een doorsnee Engelsman na één dag Spaanse Costa, zo rood als een kreeft…



Donderdag 8 mei – 146km
’s Morgens verlaten we met wat tegenzin de prachtige camping langs de zilverstranden van ‘Morar’. De stilte en rust van het Noorden zal zo dadelijk wel veranderen in het drukkere centrum van Schotland. In gestrekte draf laveren we langs de A830 en houden halt bij het monument van ‘Glenfinnan’. De knalblauwe hemel hangt als een laken boven ‘Loch Shiel’. Achter het monument ligt de spoorwegbrug die wel eens in Harry Potters’ films wordt gebruikt. De drukte valt nog mee, het is vrij vroeg. Net voor ‘Fort William’ passeren we ‘Neptune’s Staircase’, een sluizensysteem op het Caledonisch kanaal. Voor ons, bewoners van de Lage Landen, geen wereldwonder. We rijden door ‘Glen Nevis’ en parkeren aan het ‘Tourist Center’, net voor het officiële vertrekpunt van de wandeltocht naar de ‘Ben Nevis’, met z’n 1344m meteen de hoogste puist van Engeland en Schotland. Het vertrekpunt van de wandeling ligt eigenaardig genoeg op slechts een kleine 100m boven zeeniveau. Dit fenomeen is me al meermaals opgevallen. Je rijdt uren in de bergen, op en neer, van links naar rechts, langs Single-tracks in diepe kloven en ravijnen en je bent in 95% van de gevallen niet boven de 100m zeeniveau geweest (De Schotse hoogvlaktes zoals 'Glen Coe',… niet meegerekend). Als fietser of voetganger heb je natuurlijk weinig aan die boodschap aangezien de som van al die klimmetjes aardig kan oplopen. In andere landen, bv Frankrijk, heb je uiteraard ook bergwegen met honderden meren en duizenden haarspelden, groot verschil echter met Schotland is het feit dat die wegen, in 95% van de gevallen, boven de 500m en meer nog tegen de 1000m liggen.

Voor de klim zijn we vandaag al veel te laat, het is 13u en we moeten nog middageten. We hebben er de voorbije dagen wat lectuur op nageslagen en, in normale omstandigheden, wordt tussen de 6 en 9uur voorzien. In het dal bengelt de temperatuur rond de 30°C. Ach, we zoeken verschillende uitvluchten om er vandaag niet meer aan te beginnen, we hebben gewoon geen zin… Na het middagmaal rijden we naar ‘Torlundy’, ten Noorden van de ‘Ben Nevis’ en nemen informatie om met de kabelbaan een deel van de berg te doen. We konden het al vermoeden maar er zijn twee wereldbekerwedstrijden aan de gang; één voor mountainbike en één voor Trial-Cross. Noppes dus.

We rijden dan maar terug door ‘Fort William’ en houden de Oostzijde van ‘Loch Linnhe’ tot aan de ijzeren brug van ‘Ballachulish’. Hier draaien we de B863 op om een rondje langs het meer van ‘Loch Leven’ te rijden en uiteindelijk op de camping in 'Glencoe' uit te komen. Vandaag ondervinden we de eerste tekenen van verzadiging. Ondanks de fenomenale natuur wordt het fototoestel nog met moeite ter hand genomen, lectuur amper bekeken. Het is tijd om de camping op te rijden en nog even van de zon te genieten. Morgen is er een nieuwe dag…

Vrijdag 9 mei – 425km
Net buiten de camping zitten we onmiddellijk op de pas en tevens het hoogplateau van ‘Glen Coe’. De zon heeft het vandaag wat moeilijker om door te breken en legt zwakke schaduwen op de grillige, doch afgeronde toppen van de bergen langs de col. Vooral de eerste kilometers zijn adembenemend mooi. Net voor ‘Kingshouse’ draaien we zuid, een Single-track die doodloopt op ‘Loch Etive’. Langs het kleine, kabbelende riviertje staan enkele tentjes, bemand door de ‘echte’ kampeerders. De weg door ‘Glen Etive’ is net geen 20km. Ergens halverwege staat een herenhoeve volledig omwald en afgesloten van de buitenwereld. Er wordt een soort hert gekweekt.


Ter hoogte van het meer zijn flink wat parkeermogelijkheden. Wat vissen, wandelen of kortom genieten van het uitzicht is een echte ‘must’.
Tot ‘Bridge Of Orchy’ kan je je ogen de kost geven. Daarna kunnen de teugels rustig wat gevierd worden, onze trotter dendert tegen 90 langs de Noordzijde van ‘The Trossachs National Park’ tot net voor ‘Callander’. Er valt ondertussen wat miezerige regen.
Op menig aanraden rijden we ‘The Trossachs’ binnen. De prachtige ‘Cottage’ woningen langs ‘Loch Venachar’ bestempelen in zekere zin hun eigenaars. Van ‘Duke’s pass’ tot ‘Aberfoyle’ kronkelt de A892 door een prachtig wandelgebied. Enige gelijkenis met onze Ardennen is zeker niet te ver gezocht. Ik heb nog een verrassing voor Ria in petto. In ‘Aberfoyle’ draaien we in de richting van ‘Loch Lomond’, achteraf gezien niet zo’n schitterende keuze. De weg is allesbehalve, te smal om gewoon te zijn, te breed om als Single-track door het leven te gaan, putten en hobbels, ‘Blind Summits’ en ‘Hidden Dips’ en vooral veel verkeer. De laatste kilometer tot het meer is vrij stijl. We komen uit op ‘Inversnaid hotel’ waar klanten voornamelijk aan- en afgebracht worden door een eigen veerdienst. Het kleine kasteel ziet er chique en voornaam uit. Het weerhoudt ons er niet van om voor de deur te parkeren en met het mooie zicht op ‘Loch Lomond’ onze boterhammekes op te eten. Op de terugweg begint het serieus te regenen. Het is echt uitkijken om de schokdempers niet om zeep te helpen. Niks te vroeg komen we terug in de bewoonde wereld. Onderweg besluiten we om door te rijden naar ‘Stirling’. Al kilometers voor de stad kan je ‘Wallace Monument’ en ‘Stirling Castle’ zien. De ‘Wallace’-toren doet me wat denken aan het één of ander kasteel uit ‘Lord Of The Rings’, maar dat zal wel toeval zijn zeker.

Ondertussen is het half vier en regent het. Zinloos om nu te stoppen en morgen bij eventueel mooi weer in de mth te zitten. Als we door ‘Glasgow’ rijden springt de teller van onze trotter op 100.000km…
We bekijken pro’s en contra’s en beslissen om een etappe voorsprong te nemen; volgende halte is ‘Lockerbie’. Op 21 december 1988 spatte de Boeing 747 – PanAm 103 van Franfurt met bestemming New York uiteen boven dat kleine stadje in het Zuiden van Schotland. Het dodental was verschrikkelijk, de wereld geschokt…
‘Lockerbie’ ziet er vandaag wat verfrommeld uit. Door het slechte weer ziet alles er grauw en verlaten uit. Het kleine monument blijkt onvindbaar, aanwijzingsborden houden plots op met bestaan…het is alsof het stadje alleen het verdriet wil dragen. Alleszins zijn de uiterlijke littekens verdwenen…
Aan de Schotse grens houden we halt, een kleine camping biedt onderkomst. Door deze dag voorsprong kunnen we morgen door de Yorkshire Dales rijden, als het weer wat meezit natuurlijk…
Zaterdag 10 mei – 197km
De weerdip lijkt over, het is nog niet echt een blauwe hemel, maar we zijn goed op weg. Vrij vroeg trekken we de Engelse grens over, hetgeen nu nog komt is bonus bij ons Schotland-avontuur. Ter hoogte van ‘Kendal’ rijden we af de Motorway. Nog voor we ‘Sedbergh’ en het ‘Yorkshire Dales National Park’ inrijden weten we al hoe laat het is! Borden langs de zijkant van de weg maken al snel duidelijk dat de weg niet geschikt is voor vrachtwagens, en eigenlijk, maar dat wisten we pas een uurtje later, niet voor motorhomes ook. Rakelings langs rotsmuurtjes of zo goed als in de struiken banen we ons een weg. De tweevaksbaan wordt in het midden gescheiden door reflektoren die wel 3cm uit het wegdek steken. Langs de buitenzijde van de weg zijn het stenen muurtjes of groeigrage struiken of bomen. Op zich niet zo erg ware het niet dat één rijvak eigenlijk een centimeter of 20 te smal was…problemen dus. Alsof het nog niet erg genoeg was is de staat van de tarmac verre van in orde, het davert verschrikkelijk, putten en oneffenheden maken het tot een heuse helletocht. Ik ben meermaals het infarct nabij als één of andere Brit langszij scheurt. Deze toeristische weg blijkt vooral in de smaak te liggen van moto’s en cabrio’s, niet voor motorhomes. Ria vertelt me later dat de uitzichten prachtig waren, ik heb er spijtig genoeg niet één gezien, alleen een witte streep en veel struiken. In ‘Leyburn’ of zo’n 60km verder worden de wegen iets breder, de struiken iets geringer in aantal. Het is net na de middag en het is broeiend heet. In ‘Ripley’, een prachtig stadje trouwens, gaan we voor de laatste maal deze vakantie op camping en liggen voor de rest van de middag languit te genieten van het zonlicht. Het is eigenlijk te warm, de airco dient tegen de avond voor wat verfrissing te zorgen, stel je voor. Het zit er op, nog 125km tot ‘Hull’. Geruststellende berichten uit België voorspellen kalme zee…

Zondag 11 mei –

Onze reis zit er ondertussen volledig op, het is fantastisch geweest mede dank zij het prachtige weer. In totaal hebben we 2.932km gereden en kunnen we al uitkijken naar de volgende trip...

